ProfielWie ben ikMijn interessesMijn poëzieBerichtenVriendenBeheer

Tweede manifest voor de filosofie

Originele titel: Second manifeste pour la philosophie

Alain Badiou

Tweede manifest voor de filosofie Type: Box
Uitgever: Ten Have
Gewicht: Onbekend
Aantal Pagina's: 142
ISBN: 90-259-6023-5
ISBN-13: 978-90-259-6023-0
Categorie: Filosofie
Richtprijs: € 17,9

Korte Inhoud


Filosofie is alomtegenwoordig: op tv, in populaire tijdschriften, in adviescommissies van banken en overheid. De Franse filosoof Badiou schreef een aanklacht tegen deze ongewenste commercialisering.

Twintig jaar geleden schreef hij zijn eerste 'Manifest voor de filosofie'. Daarin verzette hij zich met hand en tand tegen 'het einde van de filosofie', dat door veel van zijn collega-filosofen werd verkondigd. Sindsdien is de situatie grondig veranderd: de filosofie is alomtegenwoordig en wordt zelfs commercieel geëxploiteerd. Van deze ontwikkeling moet Badiou niets hebben, blijkens zijn Tweede manifest voor de filosofie.

De tegenwoordige filosofie is volgens hem weinig anders dan conservatief moralisme. Haar vertegenwoordigers lijken op de sofisten uit de Oudheid, tegen wie Socrates zich zo hevig verzette. Velen van hen zijn spreekbuis geworden van een ontaarde vorm van democratie, het 'parlementaire kapitalisme', dat zich door partijpolitiek en opiniepeilingen laat dicteren. De filosofie moet zich tegen dat relativisme keren, aldus Badiou, die een fel pleidooi houdt voor 'eeuwige waarheden' en een 'communisme van de Idee'.

Badious 'eerste manifest' verscheen in vijftien talen, zijn 'Tweede manifest voor de filosofie' wordt inmiddels in zeven talen vertaald. In het Nederlands verschenen van hem onder meer 'De twintigste eeuw' (2006) en 'Paulus: de fundering van het universalisme' (2008).

Uittreksel


Blz. 65: Als elke existentie gehaald wordt uit een transcendentale evaluatie van de zelfidentiteit van een term, wat kunnen we dan zeggen over de existentie van de filosofie? En wat maakt dat die existentie twintig jaar geleden (ten tijde van mijn eerste Manifest) verschilt van wat we er tegenwoordig over kunnen zeggen (tweede Manifest)?

Zeker, in 1989 werd het transcendentale waarop de filosofie zich verhief nog steeds gemarkeerd door een algemene logica van de achterdocht die elke existentie in de intellectuele wereld normeerde. Laten we zeggen dat vanaf de jaren vijftig/zestig de existentiegraad van de overgeërfde disciplines - in het bijzonder die welke de Universiteit destijds aanbood, waaronder de filosofie - bijna bij voorbaar van nul en gener waarde werd verklaard vanwege het feit dat die disciplines ervan verdacht werden slechts inconsistente bekrachtigingen van de gevestigde orde te zijn. In de latere generatie psychoanalytici had Lacan een verwantschap tussen de filosofische systematisering en paranoia gedecodeerd. Hij had het discours van de filosofie beschreven als iets wat altijd verdeeld was tussen de bedenkelijke arrogantie waarmee de Meester zijn positie bekleedde en de op herhaling berustende zwakheid van de universiteit. Hij had de uitdrukking 'liefde voor de waarheid' ontluisterd omdat ze van elke andere betekenis dan een neurotische gespeend was. Hij had de metafysica ervan beschuldigd er slechts toe te dienen 'het gat van de politiek te stoppen'. Aan de andere kant hadden de moderne varianten van de marxistische revolutionaire politiek de filosofie streng ondergeschikt gemaakt aan de politiek. Althusser zelf had de filosofie, teruggebracht tot de bijna tijdloze handelingen in het conflict tussen materialisme en idealisme, gedefinieerd als zijnde de `klassenstrijd binnen de theorie'. De analytische stroming had, zoals Wittgenstein op briljante wijze al in het begin van de twintigste eeuw had gedaan, haar pijlen gericht op de filosofie als verzameling van 'betekenisloze' proposities. Die stroming was begonnen vast te stellen dat het denken vooral behoefte had aan een syntactische controle van de zinnen waarvan het model te vinden was in de formele logica, en aan een semantisch toezicht dat verwees ofwel naar de zintuiglijke evidenties, ofwel naar de eisen die het handelen stelt: empirisme aan de ene kant, pragmatisme aan de andere kant. Ten slotte had Heidegger, in een verwrongen interpretatie van Nietzsche, verklaard dat de metafysica, een technische verwerkelijking van het vergeten van het zijn, voorbij was en dat de onzekere noodzakelijkheid bestond terug te keren naar de oorsprong die, in dialoog met wat de dichters te zeggen hebben, voorbij elke filosofie de figuur van de denker zou herstellen. Na de Tweede Wereldoorlog hadden de Franse interpretaties van Heidegger dat vonnis verzwaard door het denken in de richting van de vrije existentie en de revolutionaire praxis (Sartre) te trekken, maar ook in de richting van de grote dichterlijke en theatrale uitingen (Beaufret, Char, vervolgens Lacoue-Labarthe) en van een poging tot deconstructie in de taal evenals in de zintuiglijke verdeling van de ervaring (Derrida en Nancy).

Het is opmerkelijk dat al die dispositieven, tegen de filosofie in, uiteindelijk een beroep deden op het complete arsenaal van de waarheidstypes: liefde, begeerte en driften in de psychoanalytische traditie, politiek in de marxistische traditie, wetenschap in de analytische traditie en kunst in de nietzscheaanse traditie.

Recensie

door Tsenne Kikke
Alain Badiou is een zwart-wit denker en hij loopt soms als het ware met het Scheermes van Ockham op zak. Zo maakt hij, bijvoorbeeld, van alle immigranten graag 'proletariërs' - een woord, waarvan hij zegt te houden - en verklaart dan dat proletariërs geen vaderland hebben en dus overal thuis zijn. Daarmee verwijst hij naar het feit dat in zijn ogen alle mensen zijn mensen, en alle mensen willen eten en leven, en dat moeten ze overal kunnen doen, in welk land dan ook, precies zoals ze zelf willen. Elk land moet dus permanent met open armen klaarstaan, ze ontvangen en hen van dienst zijn. Dit heeft tot gevolg dat hij de wereld in het strakke schema van onderdrukkers en onderdrukten verdeelt.

Daarenboven noemt hij zich een neo-platonist: het ware leven is een leven in het teken van de Idee, in zijn geval van 'het communisme van de Idee.' Zo'n boven alles uitstekend, transcendentaal Idee is 'gelijkheid': zolang niet iedereen overal gelijk is, deugt er niets.

Met Alain Badiou kun je moeilijk een gesprek voeren, tenzij je een ja-knikker bent en er dus geen tegengestelde opinies op nahoudt. 'Totale Gelijkheid' is voor hem het meest ideale uitgangspunt van elk gesprek: zolang dat niet gerealiseerd is, kan er niets goeds zijn in de wereld. Met andere woorden: hij vertrekt vanuit zijn uitgangspunt.

Badiou beweert dat een filosoof zijn eigen problemen schept, hetgeen dan ook betekent dat hij ook zijn eigen taal bedenkt om die problemen verscherpt weer te geven. Over 'taal' gesproken...

In zijn 'Tweede manifest' gaat hij ervan uit dat de lezer zijn eerdere werk kent en weet waar de hier opduikende begrippen als multipliciteit, waarheidslichaam, logische identiteit, differentiatieprotocollen voor staan. De vraag is wel: is dit nog wel filosofie, of is het filosofisch knutselen? Staat hier in ingewikkelde bewoordingen niet iets heel gewoons? Badiou is erg zuinig met het verbinden van concrete voorbeelden aan zijn abstracte redeneringen, maar wanneer hij het doet, valt het op hoe triviaal dat uitpakt.

Daar waar ik de opmerking deed dat Alain Badou de zaken vereenvoudigt, ben ik wel verplicht mijn woorden in te trekken. Dit boek is wel iets meer ingewikkeld voor de gewone lezer en dus geen literatuur net voor het slapen gaan.
Adverteren
Zoek&Vind
Meer
Spiritualia
Contact
Copyright © 2008-2019 Spiritualia. Alle rechten voorbehouden. | Privacy Statement | Gedragscode | Algemene Voorwaarden | Auteursrecht