ProfielWie ben ikMijn interessesMijn poëzieBerichtenVriendenBeheer

Weer een andere Gurdjieff ...

In muzikaal opzicht was Jarretts interpretatie lang toonaangevend. Ook voor 'Chants, hymns and dances is Sacred hymns' het vertrekpunt geweest. De laatste jaren zijn er meerdere uitvoeringen van Gurdjieffs muziek op cd verschenen, veelal gespeeld door muzikanten die zich ook uitvoerig in zijn filosofie hebben verdiept zoals de Nederlandse pianist Wim van Dullemen. Hoewel de 'Gurdjieff Foundation' de erfenis streng bewaakt, worden er toch altijd bijzondere ontdekkingen met betrekking tot Gurdjieff's muzikale nalatenschap gedaan. Zo kwamen kort geleden ineens orkestraties van De Hartmann boven water die door het Metropole Orkest voor de radio zijn uitgevoerd, maar (nog) niet op cd zijn verschenen. Lechner en Tsabropoulos scharen zich dus in de steeds grotere rij belangstellenden voor Gurdjieff's muziek.

Ook Keith Jarrett was ten tijde van 'Sacred hymns' in de ban van Gurdjieff's filosofie, waarmee hij door saxofonist Charles Lloyd in contact was gebracht. Later heeft hij er zeer bewust afstand van genomen, maar met name Gurdjieff's theorie over functie en wezen van het octaaf hebben Jarrett in de jaren tachtig sterk beïnvloed. 'Sacred hymns' is een bloedserieuze plaat die Gurdjieff's muziek laat horen zoals die waarschijnlijk bedoeld is, nadrukkelijk contemplatief en verstild. Gewijde muziek die eerbied vraagt. Daardoor komen Gurdjieff's composities enigszins op zichzelf te staan. Het lijkt muziek die met niets of niemand iets te maken heeft. 'Sacred hymns' is een opmerkelijke plaat in Jarrett's oeuvre omdat zowel zijn vermaarde improvisaties als zijn door velen verafschuwde extatische kreten achterwege zijn gebleven.

Door vooral het muzikale voorop te stellen en niet zozeer het spirituele, hebben Lechner en Tsabropoulos de muziek van Gurdjieff als het ware geopend - zoals een goede whisky opengaat van een paar druppels water, waardoor geur en smaak veranderen. Hun bewerking geeft de muziek een breder kader. Zo is ineens een verre verwantschap met een tijdgenoot als Erik Satie - en vooral met diens 'Trois gnossiennes' - hoorbaar en komt ook de (geografische) oorsprong van de melodieën duidelijker naar voren dan bij Jarrett. Het is vooral de combinatie van de Oriëntaalse klankkleur met de kabbelende pianoakkoorden die aan de Gnossiennes herinneren. In een vrijere interpretatie zoals die van jazzpianist Marc Cary komt die verwantschap nog duidelijker naar voren. Lechner en Tsabropoulos hebben Gurdjieff's muziek losser gemaakt en daarmee sprankelender, minder stijf dan bij Jarrett. Daardoor wordt zij ook toegankelijker.

Zoals gezegd zijn Gurdjieff's melodieën net als zijn denkbeelden voornamelijk tijdens zijn vele reizen vergaard. Hij hechtte groot belang aan traditie en was bang dat alle bijzondere geloven en bijgeloven in Trans-Kaukasië zouden verdwijnen. Omdat dat ook daadwerkelijk gebeurd is, weten we niet wat Gurdjieff's precieze inbreng in de composities wat dat betreft geweest is. Zo ongeveer als Alan Lomax door het zuiden van de Verenigde Staten trok en daar de muziek in kerken en gevangenissen en op het platteland vastlegde, zo registreerde Gurdjieff de muziek uit de Kaukasus en Tibet. Alleen had Gurdjieff geen bandrecorder .

In feite is zijn muzikale oeuvre dus naar het klassieke idioom getranscribeerde volksmuziek. Afgezien van de filosofie die erachter zit, was dat wellicht wat Keith Jarrett zo in Gurdjieff aantrok. Jarrett constateerde in de jaren zeventig dat de jazz zich te ver van zijn folkroots verwijderd had en zag tot zijn schrik dat iemand als Miles Davis, die dezelfde diagnose had gesteld, bij het terugvolgen van het spoor in het popidioom verdwaald was geraakt. In elk geval is 'Sacred hymns' voor Jarrett de opmaat naar een tweede carrière als klassiek pianist gebleken, met naast Gurdjieff ook Mozart, Bach en Sjostakovitsj op het repertoire. Daarnaast markeerde de plaat ook het einde van een meer vrije opvatting van jazz en een geleidelijke terugkeer naar de standards.

Zonder er te zwaar de nadruk op te leggen, brengen Lechner en Tsabropoulos naar buiten hoezeer de composities van Gurdjieff in de volksmuzikale traditie van zijn geboortestreek geworteld zijn, en daardoor wordt zijn verwantschap met bepaalde andere componisten duidelijk. Gurdjieff deelt zijn fascinatie voor volksmuziek bijvoorbeeld met tijdgenoten als Bartok, Kodalj en Enescu. De vermenging van volksmuziek met spiritualiteit die zijn muziek zo bijzonder maakt, vind je ook terug bij Arvo Pärt en Tigran Mansurian. Zoals Gurdjieff's composities op 'Chants, hymns and dances' worden uitgevoerd, staan zij ineens niet zover af van de half gecomponeerde, half geïmproviseerde jazz van onder meer Dave Douglas en Myra Melford, waarin een cello dikwijls de plaats van de bas in de ritmesectie overneemt. Dat is een belangrijk deel van het verdiende succes van 'Chants, hymns and dances'.

En passant worden ook lijntjes gelegd tussen Gurdjieff's werk en de muziek die nog altijd in de Grieks-orthodoxe kerk gespeeld wordt, en die ten grondslag ligt aan Tsabropoulos' eigen composities. Het zijn overigens vooral Lechner's cellopartijen die de oosterse invloeden in Gurdjieff's muziek blootleggen. Lechner doet dat subtiel, zonder effectbejag. De Oriëntaalse sfeer is intrinsiek in Gurdjieff's muziek aanwezig. Door de melodieën en harmonieën over twee instrumenten te verdelen, komt deze invloed echter duidelijker naar voren dan in de solovertolkingen op piano van bijvoorbeeld Keith Jarrett. Daarbij is natuurlijk ook de keuze van de composities van invloed. Het is in dat opzicht opvallend dat geen van de negen stukken op 'Chants, hymns and dances' ook op Jarrett's 'Sacred hymns' staat.

Het is vermoedelijk de populariteit van Sergei Diaghilev geweest die Gurdjieff in de jaren twintig heeft aangespoord om meer oosterse invloeden in zijn muziek te verwerken. Diaghilev, een Russische impresario en kunstcriticus, oogstte in het tweede decennium van de vorige eeuw in Parijs veel succes met zijn 'Ballets Russe'. Door samen te werken met bekende westerse kunstenaars als Braque en Picasso slaagde hij erin om het publiek warm te laten lopen voor zijn voorstellingen, die grotendeels waren gebaseerd op tot dan toe in het westen onbekende elementen uit de traditionele Russische volkscultuur. In de muziek van Gurdjieff na deze periode is de oosterse sfeer in elk geval minder prominent aanwezig. De nadruk op die oosterse invloeden wisselt overigens sterk in de verschillende uitvoeringen van Gurdjieffs composities.

De onlangs gemaakte orkestopnamen laten die invloed bijvoorbeeld heel duidelijk horen, in tegenstelling tot 'Sacred hymns', waarin hij nagenoeg ontbreekt. Als je de cd van Lechner en Tsabropoulos vergelijkt met de orkestmuziek van Gurdjieff, wordt daardoor nog eens extra duidelijk dat hun interpretatie zowel eigenzinnig als respectvol is. Nergens laten zij zich verleiden tot het aandikken van effecten. Zij hebben de oosterse invloed op met name de klankkleur onderkend, maar geprobeerd de muziek niet opzettelijk exotisch te maken. De Hartmann deed dat op verzoek van Gurdjieff wel in zijn orkestraties, die bedoeld waren voor grote shows in Parijs en later New York en die waren opgezet om reclame te maken voor Gurdjieff's instituut. Volgens Gurdjieff-kenner Gert-Jan Blom moeten deze shows sterk oriëntaals van karakter zijn geweest met veel oosterse dansen. Voor de leek die de muziek van Gurdjieff via Keith Jarrett heeft leren kennen, is die Oriëntaalse sfeer echter een nieuw element dat door Lechner en Tsabropoulos naar voren wordt gebracht.

Natuurlijk is het niet de bedoeling geweest van Lechner en Tsabropoulos om Gurdjieff zijn zonderlinge status af te nemen en de overeenkomsten met andere componisten te benadrukken. Deze plotseling blootgelegde verwantschappen zijn een direct gevolg van hun tamelijk risicovolle benadering van Gurdjieff's composities. Zoals gezegd hebben zij de muzikale intenties van Gurdjieff laten prevaleren boven de spirituele, maar ze zijn zich er gelukkig wel van bewust geweest dat dit spirituele aspect de kern van Gurdjieff's muziek vormt, zonder welke haar betekenis aanzienlijk gereduceerd wordt. Musicologen die zich over Gurdjieff hebben gebogen, hebben al eerder geconstateerd dat zijn muziek op papier maar weinig bijzonder is en toch een speciaal effect teweegbrengt als ze ten gehore wordt gebracht, iets wat in de eigen composities van Thomas de Hartmann vreemd genoeg niet het geval is.

Zo'n wezenlijk maar ongrijpbaar element in muziek bergt al een risico in zich, zowel voor de vertolker die zich aan de voorgeschreven vertolking houdt als voor diegene die erbij improviseert. In dat laatste geval dreigt een dergelijk element ofwel te veel op de voorgrond te komen ofwel juist helemaal te verdwijnen. Menig jazzmusicus heeft zich op klassiek materiaal vergaloppeerd, terwijl maar weinig klassieke musici zich uit het keurslijf van de compositie weten te bevrijden zonder in obligate mooispelerij te vervallen. Uit alles blijkt dat Lechner en Tsabropoulos zich van deze valkuil bewust waren. Tsabropoulos zegt daarover in de hoestekst: 'The only way to get to the heart of the material is by feeling free. But you have to respect the context, asking [yourself] how [we can] develop the melodic lines while at the same time protecting them?'

Tsabropoulos brengt daarmee een interessant dilemma ter sprake. Hij zal zich waarschijnlijk gerealiseerd hebben dat hij, door Gurdjieff's composities als een sandwich rond zijn eigen muziek te presenteren, een direct verband tussen de twee suggereert. Dat hun muziek niet alleen thematisch overeenkomsten heeft, maar ook deels dezelfde wortels kent - Gurdjieff had een Griekse vader en de (oud-)Griekse muziek is bovendien verwant aan de muziek uit Gurdjieff's geboortestreek, destijds Armenië maar inmiddels Turkije - wil niet automatisch zeggen dat Tsabropoulos een componist van gelijk niveau is. Van de drie composities die hij aan de cd heeft bijgedragen, zijn een aantal delen bijvoorbeeld beduidend vlakker dan Gurdjieff's stukken. Die zo moeilijk te vatten emotionele lading die Gurdjieff's muziek heeft, ontbreekt helaas soms, maar lang niet altijd, in Tsabropoulos' composities. Dat ligt niet aan de vertolking. Op 'Chants, hymns and dances' wordt geconcentreerd gemusiceerd, avontuurlijk maar op een ingetogen manier. Het pleit dan ook voor Gurdjieff's muziek dat ze bij een dergelijke 'oneerbiedige' benadering zo florissant overeind blijft.

Het voert te ver om hier uit wijden over wat Gurdjieff met zijn muziek beoogde te bereiken. Zoals vaak drukt hij zich in de aan muziek gewijde passages in zijn hoofdwerk Het al en alles dikwijls vaag en omslachtig uit. Wel is duidelijk dat de muziek voor hem in dienst stond van de oefeningen in 'harmonische ontwikkeling', waaraan zijn instituut gewijd was. De Hartmann zei over deze muziek: 'ik kan het niet nalaten iets over Georgi Ivanovitsj te vertellen. Hier begrijpen wij waarom Georgi Ivanovitsj altijd een groot belang aan muziek hechtte. Hij speelde zelf en componeerde ook. Als we het met de muziek van alle religies vergelijken, zien we dat muziek een belangrijke rol speelt in de zogeheten religieuze dienst. Maar na het werk van Georgei Ivanovitsj begrijpen we beter dat muziek helpt om je te concentreren, om jezelf naar een innerlijke staat te brengen waar we de hoogst mogelijke resultaten kunnen bereiken. Dat is waarom muziek datgene is dat je hoger brengt.'

Wat 'Chants, hymns and dances' eens te meer duidelijk maakt, is dat de ogenschijnlijk eenvoudige muziek van Gurdjieff zich voor sterk uiteenlopende interpretaties leent en daarbij toch telkens weer overeind blijft. Bij nader inzien is die muziek trouwens niet zo bescheiden. Ze is zelfverzekerd en aanwezig op een onnadrukkelijke en vanzelfsprekende manier. Terwijl Keith Jarrett de muziek in zichzelf besloten liet zijn, hebben Lechner en Tsabropoulos haar als het ware uit haar isolement verlost, juist door zich vooral op de louter muzikale intenties van Gurdjieff te concentreren. Hun interpretatie biedt daardoor de mogelijkheid om Gurdjieff's muziek in een veel breder perspectief te zien dan tot nu toe vaak is gedaan. Ze blijkt evenzeer aan te sluiten bij de muziek van zijn tijd als bij die van de onze. Lechner en Tsabropoulos hebben Gurdjieff zijn composities niets ontnomen, maar juist meer van de inhoud naar buiten gebracht, meer laten zien van wat tot dusver verborgen was gebleven. Het raadsel Gurdjieff wordt daarmee alleen maar groter.

discografie:

Keith Jarrett, Sacred Hymns (ECM, 1980)Anja Lechner/Vassilis Tsabropoulos, Chants, hymns and dances (ECM, 1888, 2005)

www.vpro.nl/programma/urubicha/afleveringen/15337116/

Tsabropoulos baseert zich op oud-Byzantijnse kerkmuziek. Opvallend is dat de muziek uit de Armeens-Orthodoxe kerk duidelijk een plaats tussen de oosterse en westerse muziek inneemt. Terwijl de Armeense volksmuziek duidelijk oosters is, werd de kerkmuziek al in de 19e eeuw getransformeerd naar een meer westerse klankkleur.

www.gurdjieffmovements.net/music.htm (vertaling MA)

Commentaar


Reageer


Opgelet: momenteel ben je niet ingelogd. Om onder jouw eigen naam te posten kun je hier inloggen.

Mijn naam:    
Mijn e-mail adres:    
Hoe goed vind je dit artikel?
Mijn commentaar:
Verificatie:
Typ de code hierboven in:
 


Pagina 2 van 212
Adverteren
Zoek&Vind
Meer
Spiritualia
Contact
Copyright © 2008-2019 Spiritualia. Alle rechten voorbehouden. | Privacy Statement | Gedragscode | Algemene Voorwaarden | Auteursrecht