ProfielWie ben ikMijn interessesMijn poëzieBerichtenVriendenBeheer

Een korte anekdote uit de eindperiode van Gurdjieff's leven

Gurdjieff bezocht in augustus 1949 de grotten van Lascaux.
door Tsenne Kikke - maandag 19 februari 2018 22:34

Over George Ivanovitch Gurdjieff werd er zowel positieve evenals negatieve dingen geschreven, maar dat kan - na ons overlijden - zowel over mij als over jou misschien ook worden gepubliceerd. :-)

Ik concentreer me dan ook op al het positieve die hij ons heeft aangereikt, en tot nog toe hebben zijn leerstellingen mij over een periode van 50 jaar innerlijk verrijkt. Natuurlijk gun ik jou net hetzelfde van zodra je ooit eveneens aan Zelfkennis doet. :-)

Gurdjieff stierf op 29 oktober 1949, en tijdens dat gebeuren nam hij alles mee wat hij ooit had gebracht, behalve de geschriften die hij naliet.

Daar bedoel ik mee, dat zijn mondeling overgebrachte leerstellingen bij zijn overlijden ten dode waren opgeschreven, en het aan ons is om er nu en in de toekomst opnieuw leven in te blazen. Maar in wezen geldt dit ook voor de leerstellingen van de Boeddha, Jezus, Nisargadatta Maharaj, en zo meer. Maar, ik ben aan het afdwalen...

Twee maanden voor zijn dood bracht Gurdjieff een bezoek aan de grotten van Lascaux; dit, op aanraden van John Bennett. Nochtans was Gurdjieff zwaar ziek. Hij leed aan kanker, had gezwollen benen en had constant last van winderigheid.

Over die grotten schreef ik al eerder, en vandaag de dag is er misschien niets nieuws aan, maar in 1949 wel, omdat ze slechts in 1948 voor het publiek toegankelijk waren. Bovendien had Bennett aan Gurdjieff verteld dat hij er eerder 'mysterieuze tekeningen en rotswandschilderingen' had aanschouwd.

Dus, ondanks het feit dat hij zich moeilijk kon voortbewegen, insisteerde Gurdjieff om er twee volle dagen voor uit te trekken.

"We vertrokken ' s morgens om 9 uur," schreef Elizabeth Mayall in haar dagboek, "en genoten van een geweldige rit via Clermont-Ferrand en de Puy de Dôme naar Montdoré. Ik vond onderweg alles heel mooi, de auto van meneer Bennett reed voorop. Vijf mensen, die een trein had genomen, hadden in Vichy een auto gehuurd om ook af te komen. We stopten bij Montdoré voor de lunch en reden daarna verder naar Montignac."

Het gezelschap maakte vanuit Parijs naar het dorp Montignac in 12 uren tijd een 600 km lange reis, en kwam er die avond omstreeks 21 uur aan.

Onderweg en tijdens de maaltijden sprak Gurdjieff, onder andere, over de 'Innerlijke God'. "Indien je leert om de Innerlijke God te gehoorzamen," zei hij, "is dit duizend keer beter dan de Tien Geboden, die ons alleen vertellen hoe we moeten leven, maar ze kunnen de mens niet helpen in het Werken aan zichzelf."

Ook sprak hij over onsterfelijkheid. "Onsterfelijk zijn, is een heel groot ding, maar het is niet alles. Als een man aan zichzelf werkt, kan hij zelfs voor God van nut worden." Hij wees toen naar Bennett en voegde eraan toe: "Er zijn twee soorten onsterfelijken: hij heeft nu al een Kesdjan-lichaam. Dit is onsterfelijk zijn, maar niet écht onsterfelijk zijn. Echt onsterfelijk zijn geschiedt enkel en alleen met een hoger lichaam. Hij heeft een lichaam voor de ziel, maar hij moet ook lichaam voor 'Ik' hebben."

Nadien beschreef Gurdjieff het verschil tussen het Paradijs en de Absolute Zon, en merkte daarover het volgende op: "Je kunt met het Kesdjan-lichaam naar het Paradijs gaan, maar het Paradijs is slechts goed voor twee of drie dagen. Stel je voor wat het volgend jaar, jaar na jaar, honderd jaar lang zou zijn. Men mag niet met het Paradijs tevreden zijn - men moet de weg naar de Absolute Zon weten te vinden."

Uiteindelijk kwamen ze er met drie wagens aan. Ze dineerden in 'Le Relais du Soleil d'Or', het chicste hotel van Montignac uit die tijd, waar Bennett een reservering had gemaakt. Gurdjieff praatte weinig: hij was moe, en had last van zijn gezwollen benen. Wel sprak hij over religie, en zei dat terwijl het rooms-katholicisme volledig was gedegenereerd, de Oosters Orthodoxe Kerk tenminste iets had behouden.

Rond middernacht trok hij zich terug. Hoewel Gurdjieff de volgende ochtend niet beter leek, drong hij erop aan naar de grotten te gaan - en, volgens Elizabeth Mayall, "leek hij er zelfs op gebrand die te zien".

Omstreeks 10 uur 's morgens daalde Gurdjieff erin af. Daar zag hij dan de afbeeldingen van verschillende dieren. Meest spectaculair voor hem waren die van herten en stieren.

Elizabeth Mayall: "Ik herinner me dat hij met zijn voeten uit elkaar stond, leunend op zijn stok, met zijn hoofd achterover geleund, kijkend naar het 'Grote Hert' met het gestileerde gewei in de eerste galerij." De beschilderingen inspecterend, vertelde Gurdjieff zijn studenten dat ze het werk waren van "een broederschap dat bestond na de verdwijning van Atlantis, iets van een zeven of achtduizend jaar geleden", waarschijnlijk een verwijzing naar de Akhaldan-samenleving.

"Terwijl hij naar de schilderijen stond te kijken," schreef J. G. Bennett, "leek het alsof hij er echt op zijn plaats was. Hij legde verschillende symbolen uit, en vooral de schildering van een vreemd composiet dier, waarvan hij zei dat het met de Sfinx kon vergeleken, als het' embleem' van een esoterische samenleving."

Bennett vroeg of hij 'symbool' bedoelde.

"Nee. Embleem," verklaarde Gurdjieff. "In die tijd waren er samenlevingen met speciale kennis, en elke samenleving had een embleem waardoor de leden elkaar herkenden, op dezelfde manier als wij het enneagram hebben."

Hij suggereerde, volgens Bennett, dat Lascaux het centrum was van een esoterische samenleving en dat het 'Grote Hert' niet alleen het embleem ervan was, maar ook een herinnering aan zijn eigen werk. De hoorns van het rendier, zei hij, zijn als de hoorns van Beëlzebub. Het aantal punten op het gewei vertegenwoordigden de graad van verworvenheden van de mens.

Gurdjieff: "Om een gewei, of hoornen te laten groeien, moet men meer hebben dan een fysiek, vleselijk lichaam. Hoe hoger de rede, hoe hoger het lichaam moet zijn dat men heeft verworven - want, het lichaam is de ondersteuning van de rede." Reeds in Rusland tijdens de jaren 1915-1917 sprak hij over de kristallisatie van deze lichamen, die hij toen benoemde met termen als 'vleselijk', 'natuurlijk', 'spiritueel' en 'goddelijk.

Terwijl Gurdjieff de beschilderingen van de grotwanden aan het bekijken was, zei hij dat ze 8.000 jaar oud waren. Misschien had hij het alleen over de jaren vóór de geboorte van Jezus Christus, en niet over de tweeduizend jaar die daarna volgden. Als dat zo is, zouden de schilderingen zo'n 10.000 jaar oud zijn.

Bennett herinnerde hem eraan dat experts ze op 18.000 tot 20.000 jaar hadden gedateerd. Gurdjieff wilde daarover niets horen. "Hij drong erop aan," zei Bennett, "dat dit werk werd uitgevoerd na de ondergang van Atlantis."

Maar Bennett vertelde hem, dat - dankzij de werktuigen en botten uit die grot - het bewijsmateriaal werd geleverd dat de schilderingen teruggaan tot vóór de tijd van de verwoesting van Atlantis...

Volgens Bennett antwoordde Gurdjieff daarop onmiddellijk op een nogal gechoqueerde toon:" Hoe kan dat? Die kunnen niet uit een periode van vóór de ondergang van Atlantis dateren!" Van toen af aan zweeg Gurdjieff, en Bennett kon er uit hem geen woord meer verkrijgen...

Toen de leden van de groep zich aan de ingang van de grotten op de parking verzamelden, instrueerde Gurdjieff Bennett om in een andere wagen te rijden. En, toen ze op de terugweg naar parijs in Tulle even stopte, zei hij onomwonden tegen Bennett: "Ik ga naar links, jij gaat naar rechts."

"Dan moeten we vaarwel aan jou zeggen," antwoordde Bennett. "Ja, tot ziens!," antwoordde Gurdjieff daarop.

Ik weet niet welke gevolgtrekkingen jij hieruit maakte, maar Gurdjieff was volgens mij geen man die tegenspraak dulde. Bennett moest het met zwijgzaamheid en afstoting bekopen. Achteraf gezien een beetje kinderachtig misschien, maar een mens is nu eenmaal die hij is, en zelfs een 'meester' kan uiting geven aan zijn negatieve emoties.

Wat de ouderdom van de grotten van Lascaux betreft... Deskundigen schatten de oudste rotsschilderingen op 15.000 v.Chr, de jongste op 10.000 v.Chr.

In elk geval is het overduidelijk dat Gurdjieff enorm veel belang stelde in al wat hij zei en schreef. In één van zijn boeken behandelde hij de ondergang van Atlantis, net als Plato in zijn dialogen.

In zijn 'Timaeus' en vooral in 'Critias' vertelt Plato uitgebreid over een eiland, "groter dan Noord-Afrika en Klein-Azië bij elkaar", waarvan de bevolking in overvloed en weelde leefde, zo'n 11.000 jaar geleden. "Een eiland," schreef Plato, "dat door de zee werd verzwolgen en verdween."

Omdat Plato (427-347 v.Chr.) de verwoesting van Atlantis in verband bracht met de Vloed van Deucalion wordt er ook weleens verondersteld dat hij zich liet inspireren door het een of ander zondvloedverhaal.

Om terug de rode draad op te nemen... Gurdjieff herkende een 'embleem' eigen aan de Atlantiërs, en daarom was hij ervan overtuigd dat de tekeningen in die grotten na de verwoesting van Atlantis werden aangebracht.

Hij tilde er zwaar aan, ik niet. Elke mens kan zich vergissen. Een Plato en een Gurdjieff ook. En, nogmaals: wat Gurdjieff ons vanuit het Oosten aanbracht, zijn parels die we niet zomaar mogen wegwerpen. Behalve de namaakparels misschien, maar die moet je wel zélf kunnen vinden.

Nog iets...

In plaats van het woordje 'embleem' kunnen we gerust het woordje 'Totemdier' in de plaats stellen. Niet te verwarren met 'Krachtdier', natuurlijk, maar daarover schreef ik ook al enkele dingen, waaronder in 2011...: klik op deze link.

Commentaar


Wees de eerste om te reageren!

Reageer


Opgelet: momenteel ben je niet ingelogd. Om onder jouw eigen naam te posten kun je hier inloggen.

Mijn naam:    
Mijn e-mail adres:    
Mijn commentaar:
Verificatie:
Typ de code hierboven in:
 


School voor ontwikkeling van De Innerlijke Mens


Adverteer op Spiritualia
Adverteren
Zoek&Vind
Meer
Spiritualia
Contact
Copyright © 2008-2019 Spiritualia. Alle rechten voorbehouden. | Privacy Statement | Gedragscode | Algemene Voorwaarden | Auteursrecht