ProfielWie ben ikMijn interessesMijn poëzieBerichtenVriendenBeheer

Silence: een film naar het boek Stilte van de Japanner Shusako Endo

Heb jij ook al eens het gevoel gehad dat de godheid, waarin jij gelooft, jou heeft verlaten? 'Silence' is in elk geval een film, die mensen over het godsbegrip kan doen nadenken.
door Tsenne Kikke - zaterdag 1 april 2017 19:03

Regie: Martin Scorsese| Rolverdeling: Andrew Garfield (Rodrigues), Adam Driver (Garupe), Liam Neeson (Ferreira), Yôsuke Kubozuka (Kichijiro), Issei Ogata (Inoue), Tadanobu Asano (tolk) e.a. - Speelduur: 161 minuten - Jaar: 2016

De film 'Silence' is gebaseerd op de historische roman 'Stilte' van Shusako Endo (1923-1996) en speelt zich af in het jaar 1633. Het boek, dat in 1966 voor het eerst werd uitgegeven en bekroond met de Tanizakiprijs, wordt beschouwd als één van Shusako Endo's belangrijkste werken. Het werd reeds eerder in het Japans verfilmd, met als titel 'Chinmoku', Japans voor 'stilte', en werd geregisseerd door Masahiro Shinoda.

Bekijk de onderstaande clip en denk, net als Shusako Endo, duizendmaal na over jouw idee over het godsbegrip...

Het hoofdthema

Priester Sebastian Rodrigo en zijn compagnon Garupe, een jonge Portugese jezuïet, verlaten Portugal om in Japan  de lokale Kerk bij te staan en te onderzoeken wat er gebeurd is met zijn mentor, priester Cristóvão Ferreira, die naar verluidt afstand van zijn geloof zou genomen hebben.

Het hoofdpersonage, Sebastian Rodrigo, zou gebaseerd zijn op de Italiaanse jezuïet Guiseppe Chiara (1602-1685). In werkelijkheid maakte Guiseppe Chiara deel uit van een groep van vier jezuïeten, die in 1643 vanuit Manilla naar Japan reisden om Cristóvão Ferreira te bewegen terug te komen op zijn geloofsafval. De groep werd onmiddellijk na aankomst in Japan gearresteerd. Ferreira verrichtte in die tijd werkzaamheden voor de Japanse inquisitie. Bij hun ondervraging was Ferreira de tolk. Net als Ferreira in 1633 deden ook deze vier jezuïeten na foltering afstand van hun geloof.

Op de website van KU Leuven werden vragen gesteld, waaronder:

- Bestaat God als er lijden in de wereld was, is en zal zijn?
- Hoe verhoudt God zich tot het kwaad en het lijden in de wereld? Is God almachtig en/of algoed?
- Hoe denkt regisseur Martin Scoresse over God en het lijden in de wereld? Wat wil hij uitdrukken met de film 'Silence'?

Het verhaal

In 'Stilte' vindt Endo waar hij naar gezocht heeft. De zwijgzaamheid uit de titel is de stilte van God zelf, die stom toeziet hoe in het Japan in de eerste helft van de zeventiende eeuw duizenden eenvoudige Japanners gemarteld en ter dood gebracht worden vanwege hun katholieke geloof. Een Portugese priester, Sebastian Rodrigo, reist via Macao met gevaar voor eigen leven naar Japan, waar eerder zijn leermeester, vader Ferreira, naartoe is getrokken. Deze schijnt, zo wordt verteld, onder druk van de Japanners het geloof te hebben afgezworen door zijn voet op de fumi-e te zetten, een plank met de afbeelding van Jezus. Die verloochening is voor Rodrigo aanvankelijk onbegrijpelijk, maar al snel wordt hijzelf het moeras ingetrokken dat Japan heet.

De beproeving die Endo de Portugese priester laat ondergaan is bijna ondraaglijk om te lezen. Vluchtend voor de autoriteiten stuit hij op kleine gemeenschappen katholieke boeren, die stuk voor stuk worden opgepakt en op een afschuwelijke manier worden gemarteld en gedood - door ze in rieten matten te wikkelen en te verdrinken, of boven een put te hangen tot ze sterven. Wat de opgejaagde Rodrigo in vertwijfeling brengt is echter niet de verschrikking die hij en de gelovigen moeten ondergaan, maar de stilte van God.

Terwijl de aanhoudende regen het Japanse landschap in een grijze modderpoel verandert en de boeren met een deerniswekkende gelatenheid hun martelaarschap ondergaan, wacht de priester tevergeefs op het teken van God dat hun lijden zin zal geven. Maar God blijft zwijgen.

Rodrigo wordt aangegeven door Kichijiro, een Judas-figuur, die hem blijft achtervolgen. In de gevangenis praat zijn leermeester, de afvallige Fereirra, op hem in en probeert hem zover te krijgen dat hij zijn voet op de fumi-e zal zetten. Aan het eind van de roman is Rodrigo alles afgenomen. Geestelijk en lichamelijk gebroken bezwijkt hij en geeft te kennen dat hij het geloof zal afzweren. Rodrigo heft zijn voet op om op de beeltenis van Christus te trappen. 'Hij voelde een doffe, zware pijn in die voet. Het was niet louter een formaliteit. Hij zou nu trappen op wat hij als het mooiste in zijn leven had beschouwd, het allerheiligste waar hij in had geloofd, op degene die het meest beantwoordde aan de idealen en dromen van de mensen. De pijn die hij in zijn voet voelde! Op dat ogenblik sprak de man op de koperen plaat tot de priester: “Trap maar. Trap maar. Ik ken de pijn in je voet het allerbeste. Trap maar. Ik ben in deze wereld geboren om door jullie vertrapt te worden.”

Na de immense verlatenheid die Endo eerder in zijn roman heeft laten zien, is dit een hartverscheurende scène, voor mij een van die passages in de literatuur die de kracht van een openbaring hebben. Rodrigo loochent het geloof, hij raakt het laatste kwijt dat hij bezit, maar God heeft niet gezwegen. In Endo's universum openbaart God zich slechts op het moment dat een mens niet meer verder kan, het moment dat het voorstellingsvermogen van een individu het aflegt tegen de verschrikkelijke werkelijkheid. Rodrigo heeft zijn stem gehoord toen hij ophield christen te zijn, toen hij alles verraadde wat hem lief was.

 - Fragment uit: Bas Heijne, 'Het allerheiligste en het allersmerigste - De Japanse schrijver Shusaku Endo, een moralist zonder moraal'.

Historische feiten

De jezuïeten zetten voor het eerst voet aan de grond in Japan in 1549 onder leiding van Franciscus Xaverius. Toen het christendom in het begin van de jaren 1600 werd verboden onder het Tokugawa shogunaat, kwamen 750.000 gelovigen voor de keuze te staan: het geloof afzweren of onzichtbaar worden voor het regime. Toen het verbod in 1873 opgeheven werd, gaven nog 30.000 christenen zich te kennen.

Het verhaal van Shusaku Endo is gebaseerd op waargebeurde feiten. De leermeerster Cristóvão Ferreira naar wie de 2 jezuïeten op zoek gaan, is een historische figuur, die na 5 uur marteling niet alleen voor zichzelf maar vooral ook voor medegelovigen een einde maakte aan de foltering door aan het geloof te verzaken. Hij werd nadien een boeddhistisch priester en schreef boeken, onder meer over astronomie. Onder dwang maar schijnbaar ook met een zekere instemming, schikte hij zich in zijn nieuwe rol. Op die manier woonde hij ook martelingen van andere christenen bij en overhaalde hen om op de fumi-e te trappen als teken van afwijzing van het geloof.

Vier opvattingen over God en het lijden in film en boek

1. Het lijden is de wil van God...

"... een rechtvaardige rechter, een wijze opvoeder of een ondoorgrondelijke God. God heeft het lijden doelbewust gewild. Het is een straf van God of een beproeving, met een welbepaald doel. Wat dit doel is, weten mensen niet altijd, het behoort tot het ondoorgrondelijke plan van God. God is vooral al-machtig en niet per se al-goed."

Fragment 1

‘Padre, als ze ons nu aan de “fumi-e” onderwerpen, het trappen op een afbeelding van Christus,’ mompelde Mokichi met neergeslagen blik alsof hij in zichzelf praatte. ‘Als wij er niet op stappen, moeten alle mensen van het dorp dit onderzoek ondergaan; wat moeten we toch doen?’ Een gevoel van mededogen welde in me op en spontaan gaf ik een antwoord dat u zeker niet zou hebben gegeven. Het verhaal van de eerwaarde Gabriël schoot me door het hoofd, die bij de folteringen in Unzen, toen hem door de Japanners de fumi-e werd toegeschoven, gezegd had: ‘Ik heb nog liever dat jullie mijn voet afsnijden dan dat ik daarop trap.’ Ik wist dat vele Japanse gelovigen en padres bezield van dezelfde gevoelens tegenover de afbeelding hadden gestaan die hen voor de voeten werd geschoven. Maar hoe had ik dat kunnen eisen van deze drie beklagenswaardige mensen?

‘Trap er maar op, je mag er wel op trappen!’

Nadat ik dit had  uitgeschreeuwd, drong tot me door dat ik iets gezegd had wat me als priester niet over de lippen had mogen komen. Garpe keek me verwijtend aan.

Kichijiro was nog in tranen. ‘Waarom legt God ons deze beproeving op? Padre, we hebben toch niets misdaan?’

We wisten niets te zeggen. Ook Mokichi en Ichizo staarden zwijgend naar een bepaald punt in de lege hemel. We baden gezamenlijk een laatste gebed voor hen. Na afloop daalden de drie mannen de berg af.  Eindeloos lang keken Garpe en ik hun gestaltes na die in de mist verdwenen. Ik weet nu dat dit de laatste keer was dat we Mokichi en Ichizo zagen.

Weer heb ik lange tijd niet geschreven. U weet van de politie-inval in Tomogi, maar pas vandaag vernamen we wat er van de drie mannen is geworden die het verhoor in Nagasaki moesten ondergaan. Wat hebben we ervoor gebeden dat ze veilig zouden terugkeren, samen met de jiisama! Ook de gelovigen in het dorp wijdden hun heimelijke avondgebed aan hen. Ik ben niet de mening toegedaan dat God ons deze beproeving zonder reden oplegt. Alles wat de Heer doet, is immers welgedaan; daarom zal eens de dag wel komen waarop we zullen begrijpen waarom ons dit lot van vervolging en wreedheid werd opgelegd. Nee, de reden waarom ik dit schrijf, is dat de woorden die Kichijiro met neergeslagen ogen mompelde op de ochtend van hun vertrek, mij zo langzamerhand als een loden last op het hart zijn gaan drukken.

‘Waarom legt God ons zo’n lijden op?’  Daarna had hij met een blik vol haat naar mij gezegd: ‘Padre, we hebben toch niets misdaan?!’

Wanneer ik dit terzijde schuif als het onbeduidend gemopper van een lafaard, waarom steekt het me dan zo in mijn borst, pijnlijk als een scherpe naald? Waarom legt de Heer deze Japanners, deze miserabele boeren, de beproevingen van vervolging en marteling op?  Nee, wat Kichijiro wilde zeggen, was eigenlijk iets veel ergers. Hij doelde op het stilzwijgen van God. (Uit 'Stilte': pagina's 60-61)

Fragment 2

U echter zou zeggen dat hun dood beslist niet zinloos was, dat het een steen is die al spoedig een hoeksteen voor de kerk zou vormen, en dat de Heer ons geen beproevingen oplegt die we niet aankunnen.  Dat Mokichi en Ichizo nu, net als de vele Japanse martelaren die hen zijn voorgegaan, voor eeuwig de allergrootste zegen ten deel valt aan de zijde van de Heer. Natuurlijk weet ik dat allemaal wel. Waarom blijft er dan toch in mijn hart zo’n gevoel van verdriet achter?  Waarom blijft het lied dat Mokichi aan de staak met stokkende adem zong dan zo pijnlijk door mijn hoofd spoken?

‘Laat ons gaan, laat ons gaan, laat ons gaan naar de tempel van het paradijs...’ (Uit 'Stilte': pagina's 67-68)

Fragment 3

Achter die onheilspellende stilte van de zee voel ik de stilte van God... ik heb het gevoel dat God in het aangezicht van weeklagende mensen maar blijft zwijgen, met de armen over elkaar... (Uit 'Stilte': pagina 68)

Fragment 4

De golven van de zee bleven maar zonder enige emotie de lijken van Mokichi en Ichizo wassen en slokten hen op. Ook na hun dood strekte de zee zich precies als tevoren uit. En God zwijgt, net als de zee.  Hij blijft maar zwijgen.

Ik schudde mijn hoofd, dat was onmogelijk. Als er geen God was, zou de mens de monotonie van de zee of haar onheilspellend gebrek aan emotie toch niet kunnen verdragen? (‘Maar als nou toevallig... natuurlijk is het een kans van één op duizend, maar stel je voor...’ fluisterde toen een ander stemmetje heel diep in mijn hart, ‘als er nu eens geen God bestaat...’) (Uit 'Stilte': pagina's 76-77)

Fragment 5

EN GOD BLIJFT ZWIJGEN... DE KLACHT VAN JOB...

Dat betekende dat het dorp platgebrand was en dat de mensen die er hadden gewoond, allemaal verdreven waren. Afgezien van de golven die klotsend stuksloegen tegen de boot, waren zee en land dodelijk stil. ‘Waarom hebt Gij alles maar toegelaten?’ vroeg de priester met uiterst zwakke stem. ‘Hebt Gij zelfs het dorp dat we voor U hadden gebouwd, zomaar laten verbranden? Hebt U de mensen zelfs geen moed geschonken toen ze werden weggejaagd en alleen maar gezwegen, net als deze duisternis? Waarom toch? Geeft U me toch eens een reden waarom? Wij zijn niet zo sterk als Job, die Gij ter beproeving leproos hebt gemaakt. Job is een heilige, maar gelovigen zijn toch alleen maar behoeftige, zwakke mensen? Er is een grens aan wat wij kunnen verdragen. Geeft U ons niet nog meer te lijden.’ (Uit 'Stilte': pagina 109)

3. De (mee)lijdende God...: de gekruisigde Jezus

God veroorzaakt het lijden niet, maar staat juist aan de kant van de lijdenden. Christus aan het kruis is de ultieme mede-lijdende God die partij kiest voor wie lijdt en die zelf het lijden niet schuwt. God is niet aanwezig in het kwaad, maar in de slachtoffers van het kwaad en in het protest tegen het kwaad. Het is niet omdat anderen lijden veroorzaken, dat wij het goede moeten laten, want God is de bezielende idee van het goede in elke mens. God is algoed, en precies hierin bestaat Zijn almacht.

Fragment 6

Zou ook Hij die nacht hebben gebeefd van angst, met een voorgevoel van het stilzwijgen van God?  Dat wilde de priester niet geloven. Hij schudde enkele malen heftig het hoofd om die stem die nu plotseling in hem opklonk niet te hoeven horen. Die regenachtige zee, waarin Mokichi en Ichizo aan staken gebonden ten onder waren gegaan. De zee waarop het zwarte hoofd van Garpe, achter het bootje aan, al gauw uitgeput had rondgedreven, als een stuk hout. De zee waarin die in stromatten gewikkelde lichamen de een na de ander vanuit het bootje rechtstandig naar beneden waren gezonken. Die zee strekte zich eindeloos breed en treurig uit, maar ook toen was God daarboven alleen maar koppig blijven zwijgen. Eli, eli, lama sabachthani! Mijn God, mijn God, waarom hebt Ge mij verlaten? Die kreet schoot de priester plotseling te binnen bij de herinnering aan de loodkleurige zee. ‘Eli, eli, lama sabachthani!’  Op vrijdag om zes uur galmde die stem vanaf het kruis op naar de geheel verduisterde hemel. De priester had dat altijd beschouwd als Zijn gebed, en beslist niet als woorden die voortkwamen uit angst voor het stilzwijgen van God. (Uit 'Stilte': pagina 157)

Fragment 7

‘Je vindt jezelf belangrijker dan die mensen. In elk geval vind je je eigen verlossing belangrijker.  Als jij zegt dat je het geloof afzweert, worden zij uit de put opgehesen. Zij worden uit hun lijden verlost.  En toch word jij niet afvallig. Je schrikt ervoor terug om voor hen de kerk te verraden, omdat je bang bent een schandvlek voor de kerk te worden, net als ik.’ De stem van Ferreira die tot nu toe in een woedende ademtocht had gesproken, werd langzamerhand zwakker. ‘Zo was het mij ook te moede. Ik was net als jij, in de pikzwarte koude nacht, maar is dat een daad van liefde? Het heet dat een priester naar het voorbeeld van Christus moet leven. Als Christus hier was...’

Een moment zweeg Ferreira, maar toen zei hij luid en duidelijk: ‘Christus zou voor hen vast en zeker het geloof hebben verloochend.’ (Uit 'Stilte': pagina's 192-193)

Fragment 8

‘Nu zul je de grootste daad van liefde volvoeren die iemand ooit heeft volbracht.’ Honingzoet fluisterde Ferreira opnieuw dezelfde woorden als daarstraks in de oren van de priester. ‘De clerus van de kerk zal je veroordelen. Zoals ze mij veroordeelden, zal ook jij door hen verdreven worden. Maar er bestaat iets wat grootser is dan de kerk en grootser dan de missie. Dat is wat jij nu gaat doen...’

De fumi-e bevond zich nu aan zijn voeten. Op een enigszins vuile, grijze plank waar de houtnerf golvend doorheen liep, was een primitieve koperen medaille bevestigd. Het was een lelijk portret van Christus, met de doornenkroon, de dunne armen gespreid. Zwijgend keek de priester met zijn gele, vertroebelde ogen neer op het eerste gezicht van de Man waar hij sinds zijn komst naar dit land mee in aanraking kwam.

Kom,’ zei Ferreira, ‘wees moedig.’

‘Heer, lange tijd, zo lang heb ik Uw gezicht ontelbare malen in gedachten gehad. Hoeveel tientallen malen vooral sinds ik in dit land Japan ben aangekomen. Toen ik me verborgen hield op de berg in Tomogi, toen ik in het bootje de zee overstak, toen ik door de bergen zwierf, de nachten in de gevangenis. Elke keer als ik bid, denk ik aan Uw gezicht in gebed; op eenzame momenten herinner ik me Uw gelaat zoals U de zegen geeft. Toen ik gegrepen werd, zag ik U gezicht voor me zoals het was toen U het kruis droeg, en nu sta ik op het punt met mijn voet te trappen op dat gezicht, dat diep in mijn ziel gegrift staat, het gelaat dat als het mooiste, het edelste op deze wereld in mijn hart leefde.’

Het vage licht van de dageraad. Het schijnsel viel op de onbedekte kippennek en de uitstekende sleutelbeenderen van de padre. De priester tilde met beide handen de fumi-e op, en bracht hem dicht bij zijn gezicht. Hij wilde zijn gezicht tegen dat – door vele voeten vertrapte – gezicht drukken. De Man op de fumi-e, versleten en uitgehold doordat zo velen op Hem hadden getrapt, staarde de priester met droeve blik aan. Het was net of er echt een traan uit Zijn ogen rolde.

‘O, wat doet dat zeer!’ De priester beefde.

‘Het is louter voor de vorm. Dat maakt toch niets uit?’ drong de tolk opgewonden aan.

De priester hief zijn voet. Hij voelde een doffe, zware pijn in die voet. Het was niet louter een formaliteit. Hij zou nu trappen op wat hij als het mooiste in zijn leven had beschouwd, het allerheiligste waar hij in had geloofd, op  degene die het meeste beantwoordde aan de idealen en dromen van de mensen. De pijn die hij in zijn voet voelde! Op dat ogenblik sprak de Man op de koperen plaat tot de priester: ‘Trap maar. Trap maar. Ik ken de pijn in je voet het allerbeste. Trap maar. Ik ben in deze wereld geboren om door jullie vertrapt te worden. Om in jullie pijn te delen, heb ik het kruis op mijn rug gedragen.’

De ochtend brak aan toen de priester zijn voet op de fumi-e zette. In de verte kraaide een haan. (Uit 'Stilte': pagina's 194-195)

4. God is groter dan het kwaad, het lijden...: de hoop van Stille Zaterdag

God is niet alleen kwaad op het kwaad, hij is ook groter dan het kwaad. Gods almacht toont zich niet in zijn directe tussenkomst in de geschiedenis. Zijn almacht wordt vooral duidelijk in zijn ultieme vergeving. God is ook goed want Zijn keuze voor het goede is nog veel sterker en fundamenteler dan zijn afkeer voor het kwade. God laat het lijden dan ook niet zomaar toe, maar hij draagt het en hij zal het ook wegdragen, vanuit zijn diepe bekommernis om het goede.

Fragment 9

‘Er zijn geen sterken of zwakken. Wie zou beweren dat sterken minder lijden dan zwakken?’ sprak de priester gejaagd in de richting van de deur. ‘Wanneer er in dit land geen priester meer is om jouw biecht aan te horen, zal ik alle gebeden van na de biecht wel voor je zeggen... Ga nu maar gerust weg.’

De opgewonden Kichijiro huilde gesmoord, maar al spoedig vertrok hij. Hoe hovaardig, hij gaf die man nu een sacrament dat slechts een priester hem kon verlenen. De clerus zou hem deze daad van heiligschennis wel zeer kwalijk nemen. Al had hij hen dan misschien wel verraden, de Man toch beslist niet. Hij beminde Hem nu heel anders dan eerst. Alles wat er tot nu toe gebeurd was, was noodzakelijk geweest om die liefde te leren kennen. Hij was nu ook de laatste christen-priester in dit land. En Hij was niet blijven zwijgen. Zelfs al was Hij blijven zwijgen, dan nog zou het leven van de priester tot op deze dag van Hem hebben getuigd. (Uit 'Stilte': pagina 215)

Laatste beelden van de film (toevoeging van Martin Scorsese):

"Heimelijk verstopt de bejaarde Japanse vrouw van Sebastian Rodrigo (ondertussen heette hij Okada Sanemon) een kruisje in zijn lijkkist."

Bronnen: kerknet.be & kuleuven.be

Nawoord: over het godsbegrip heb ik het reeds zovelen malen gehad, dat elk extra woord als overdaad kan worden beschouwd - en, zoals je weet: overdaad schaadt. :-)

Commentaar


Wees de eerste om te reageren!

Reageer


Opgelet: momenteel ben je niet ingelogd. Om onder jouw eigen naam te posten kun je hier inloggen.

Mijn naam:    
Mijn e-mail adres:    
Mijn commentaar:
Verificatie:
Typ de code hierboven in:
 


School voor ontwikkeling van De Innerlijke Mens


Adverteer op Spiritualia
Adverteren
Zoek&Vind
Meer
Spiritualia
Contact
Copyright © 2008-2019 Spiritualia. Alle rechten voorbehouden. | Privacy Statement | Gedragscode | Algemene Voorwaarden | Auteursrecht