ProfielWie ben ikMijn interessesMijn poëzieBerichtenVriendenBeheer

Misvattingen rond virussen – Dr. Stefan Lanka - Deel 2

Dr. Stefan Lanka is nog altijd aan het woord…
door Tsenne Kikke - maandag 18 mei 2020 19:54

De dood en verrijzenis van de virus-theorie (vervolg van de vorige blog)

Tot 1952 geloofden virologen dat een virus een giftig eiwit of enzym was, dat op een of andere manier door het lichaam werd vermeerderd en zich in een menselijk of dierlijk lichaam verspreidde. Geneeskunde en échte wetenschap lieten dit idee in 1951 varen omdat de vermeende virussen maar niet onder de elektronenmicroscoop te vinden waren en er ook nooit controle-experimenten werden uitgevoerd. Stilaan begon men te erkennen dat bij het afsterven van cellen van gezonde dieren, organen, en weefsels afvalproducten werden geproduceerd die men voorheen als ‘virussen’ had betiteld. De virologie had zichzelf met andere woorden weerlegd en als wetenschap opgeheven.

Toen de vrouw van de latere Nobelprijswinnaar Crick in 1953 echter een dubbele helix tekende en deze gepubliceerd werd in het beroemde wetenschappelijke tijdschrift 'Nature', als een zogenaamd wetenschappelijk ontwikkeld model van verondersteld genetisch materiaal, ontstond een geheel nieuwe en verreikende hype: de zogenaamde moleculaire genetica. Voortaan werd de oorzaak van ziekten gezocht in de genen. Het idee over virussen – eigenlijk al weerlegd – veranderde dus van de ene op de andere dag. Men kon het materialistische idee van een externe ziektemaker blijkbaar niet loslaten. Een virus was nu niet langer een toxine, maar werd voortaan uitgelegd als een gevaarlijke genetische structuur, begrepen als een erfelijke stof, een gevaarlijk viraal genoom. Het waren vooral jonge en onervaren chemici die de nieuwe versie van de virologie – de gen-virologie – hebben opgericht. Deze chemici hadden echter geen flauw benul van biologie en geneeskunde, maar hadden ondertussen wel een onbeperkte financiering voor hun onderzoek verkregen. En ze wisten hoogst waarschijnlijk niet dat de oude virologie zichzelf een jaar eerder al had opgeheven.

We zijn hier dus getuige van een tragische ontwikkeling, die ervoor zorgde dat een reeds weerlegd en vooral gevaarlijk paradigma terug nieuw leven werd ingeblazen. Al ruim 2.000 jaar wordt geleerd: “Heer, vergeef hen, want ze weten niet wat ze doen”. Sinds 1995 – sinds ik de bewijsvraag voor het bestaan van virussen openlijk stel – komt daar echter nog een duidelijke toevoeging bij: “Want ze kunnen niet toegeven dat wat ze geleerd hebben niet klopt, meer nog: dat het gevaarlijk tot levensgevaarlijk is.” Omdat tot nu toe niemand het overzicht en de moed had om de waarheid te spreken, zien we steeds meer ‘boze geesten’– vrij naar Goethe – en hulphypothesen zoals daar zijn de concepten van het ‘immuunsysteem’ of de ‘epigenetica’. Dit alles om de toenmalig bedachte, wereldvreemde en reeds weerlegde theorieën in stand te kunnen houden.

De geschiedenis van de virologie is één trieste aaneenschakeling van wishful thinking en dus flagrante onwetenschappelijkheid. Eerst werd de theorie van het virus (Latijn voor: ‘ziektegif’) in 1858 tot dogma verheven. Daarna volgde het idee van de ziekteverwekkende bacteriën, vooral gepromoot door Pasteur. Toen kwam de theorie van de bacteriële toxines (in wezen slechts de excrementen van deze wezens) en vervolgens ook de virussen, tot dit idee in 1952 expliciet verlaten werd. Maar met de revival van 1953 stopte men het idee van Virchow’s ziektevergif in een nieuw kleedje, dit keer van zogenaamde ‘genetische virussen’, en van daaruit zelfs het idee promoten van kankergenen en de ‘oorlog tegen kanker’, die werd opgericht in het Nixon-tijdperk. De laatste telg van dit schaamtelijke geslacht is het idee dat genen, omdat ze alle eigenschappen in zich droegen, dus ook alle ziektes in zich moesten dragen. In het jaar 2000, bij de onthulling van de tegenstrijdige data van het zogenaamde ‘Human Genome Project’ (de beschamende en groteske bewering dat men het gehele erfgoed van de mens bijna bloot had gelegd), werd echter duidelijk dat dit niet mogelijk was, en dat meer dan de helft van dat genoom door de onderzoekers zelf bedacht moest worden om het nog enigszins een aangezicht te geven. Alle ideeën over genen als ‘bevatters’ van alle info – en dus ook info over ziekte – werd dus totaal en allesomvattend weerlegd. tot op heden is de gewone man zich hier echter niet van bewust. Het valt de betrokken academici namelijk erg zwaar om de bedenkelijke rol die zij daar zelf bij gespeeld hebben toe te geven, gezien de impact van de ernstig misleidende ontwikkelingen die daaruit volgden. Maar feiten zijn feiten: het volledige menselijke genoom is niét gesequentieerd, wat men ook moge beweren.

Verdere illusies: de schijnbare bacterie-eters

De bron voor het idee dat genetische virussen bij mensen, dieren en planten wel degelijk bestonden, en dat zich vanaf 1953 verder ontwikkelde, waren de zogenaamde bacterie-eters, 'fagen' genaamd, wiens bestaansmogelijkheid al in 1915 werd geopperd. Vanaf 1938, toen commerciële elektronenmicroscopen beschikbaar werden, konden deze fagen ook effectief worden gefotografeerd en als deeltjes in hun geheel worden geïsoleerd. Ook konden al hun bestanddelen biochemisch worden bepaald. Dat is dus echt. Diezelfde isolering – dit is de techniek een deeltje zo te concentreren en van alle andere bestanddelen te ontdoen zodat het puur kan worden gefotografeerd – is bij de vermeende ‘virussen’ bij mens, dier en plant nooit gebeurd, en dit natuurlijk om de eenvoudige reden dat ze simpelweg niet bestaan. Ter herhaling: wat men als ‘virussen’ ziet, is in wezen cel-afval waar inderdaad genetisch materiaal in zit, maar wat niet eens gevaarlijk is, hoogstens ietwat toxisch, indien in te hoge concentraties aangetroffen.

De onderzoekers van bacteriën en hun zogenaamde ‘fagen’ daarentegen, die dus zonder twijfel wel degelijk met werkelijk bestaande structuren werkten, hebben zich op basis van die reële vondsten vervolgens een model voorgesteld van hoe menselijke, dierlijke en plantaardige virussen eruit zouden kunnen zien. Bij het interpreteren van deze zogenaamde ‘fagen’(wat een Latijnse naam is voor ‘eters’) negeerden de specialisten echter een bekend fenomeen in bacteriologische culturen waar aan extreme inteelt wordt gedaan: de zogenaamde ‘sporen’.

Het is namelijk bekend dat normale, ongekweekte bacteriën bij moeilijke leefomstandigheden overlevingsvormen van zichzelf vormen. Deze overlevingsvormen, die ‘sporen’ genoemd worden, kunnen lang of zelfs ‘eeuwig’ overleven. Wanneer aan de bacteriën echter langzaam terug hun voedsel wordt toegediend, ontstaan nieuwe bacteriën bijna automatisch uit die eerdere sporen-toestand. Wanneer dat niet zo is, dan geven ze ‘fagen’ af – in wezen: gewoon sporen. Het zijn deze sporen die al gauw als de virussen van de bacteriën werden gezien. Dit fenomeen doet zich bij echte bacteriën, die vers worden verkregen uit organismen of uit diens omgeving, echter helemaal niet voor.

Het is niet dat dit onbekend is. Het ontstaan van bacteriën uit sporen, hun ontwikkeling tot hogere levensvormen en weer terug, heeft Günther Enderlein (1872 – 1968) al heel vroeg in de biologie beschreven. om deze redenen verwierp hij ook de celtheorie, waarbij het leven louter uit cellen zou bestaan en vanuit deze cellen zou worden georganiseerd.

En nog een leuke anekdote: als jonge student biologie isoleerde ik zo‘n spoor van een alg uit de zee. Ik geloofde toen ook dat ik een faag had ontdekt, en wat voor één! De faag (het spoor dus) was volgens mij het eerste bacteriële ‘virus’ dat onschadelijk was voor zijn gastheer! Hoe onwetend was ik toen. Het is pas later dat ik begreep dat dit helemaal geen virus was, geen faag dus, maar een spoor in de zin zoals Enderlein dat beschreven had.

Het idee, overigens, dat bacteriën als afzonderlijke, levensvatbare organismen bestaan die op zichzelf kunnen leven, zonder andere levende wezens, in een petrischaal-cultuur, is niet correct. In geïsoleerde vorm gaan ze na een bepaalde tijd vanzelf dood. Ze vormen zelfs geen sporen. De betrokkenen merkten dit niet, omdat na de succesvolle ‘isolatie’ van een bacterie een deel ervan wordt ingevroren en daardoor tientallen jaren kan worden gebruikt. Het stereotype van de bacterie, het idee dat het een op zichzelf staande, autonome levensvorm is, is niet meer dan een hardnekkige mythe, een laboratorium-artefact, een verkeerde interpretatie.

De bewering die op grond van deze mythe gemaakt wordt, dat bacteriën onsterfelijk zijn, is daarom niet waar. Bacteriën zijn alleen onsterfelijk in de symbiose met een groot aantal andere bacteriën, schimmels en waarschijnlijk veel meer onbekende levensvormen die moeilijk of zelfs onmogelijk te karakteriseren zijn, zoals bijvoorbeeld de amoeben. Eéncelligen, bacteriën en schimmels vormen sporen zodra de levensomstandigheden hen daartoe verplichten, en worden weer wakker zodra de juiste levensomstandigheden er terug zijn. Als je dit met mensen vergelijkt, ontstaat hetzelfde inzicht: zonder leefomgeving, van waaruit en waarmee we leven, werkt niets. Alleen kunnen wij niet zomaar ‘dood’ gaan om bij de juiste omstandigheden weer tot leven te komen.

Verschuivende paradigma’s

De biologie bevindt zich in een boeiende tijd. niet alleen het kunstmatige concept over bacteriën dat we zonet besproken hebben, bevindt zich in staat van ontbinding, maar zélfs het idee dat levenloze, dode materie zou bestaan. observaties en conclusies over een geanimeerde, 'actieve materie‘ (zoals natuurkundigen het noemen) worden sinds de moderniteit afgedaan als onwetenschappelijk ‘vitalisme’. Maar steeds meer wijst alles erop dat alle elementen die volgens de ‘heersende opvatting’ van de ‘wetenschap’ geen vitale kracht wordt toegeschreven, zich toch uit de membraansubstantie van water, de oersubstantie van water dus, ontwikkelen. Uit die elementen ontstaan dan de nucleïnezuren en vanuit die nucleïnezuren op hun beurt het biologische leven zoals we dat in al zijn rijkdom kennen: amoeben, bacteriën, beerdiertjes en dan de steeds complexere organismen hogerop de ladder.

Er bestaat een zeer eenvoudig inzicht dat deze opvatting kan schragen. Dit kan éénieder bij zichzelf en anderen waarnemen, en dat is het bestaan van ons lichaam. Dat is het leven dat zichzelf gematerialiseerd heeft. ons lichaam is een materialisatie van bewustzijnseenheden. Deze eenheden kunnen concreet worden benoemd, alsook de specifieke interacties en veranderingen van onze organen en psyché, hetgeen gebeurt op basis van pure informatie. Zo is het bekend dat zelfs een kwetsend of geruststellend woord een lichamelijk effect kan hebben. Deze effecten zijn verifieerbaar, bij zichzelf en bij anderen controleerbaar en maken voorspelbaarheid mogelijk. Daarmee wordt aan de drie criteria van wetenschap voldaan.

Dit is belangrijk, omdat deze gewijzigde bevindingen, deze herontdekte kennis van hoe de dingen echt werken, ons kunnen bevrijden van het met angst vervulde en door angst veroorzaakte goed-kwaad-onderscheid, en wat nog belangrijker is: het daaruit volgende dwangmatige en dus ziekmakende denken. Met dit nieuwe perspectief worden niet alleen de verschijnselen van ziekte, herstel, de genezingscrises opgehelderd, maar ook helingsblokkades en chronische ziekten. Dure en moeilijk te verdedigen concepten, zoals diegene die in het oude wereldbeeld nog ‘besmetting’ worden genoemd, worden irrelevant. We zouden dus kunnen zeggen: ‘Virus, je kunt gaan!’.

De nachtmerrie van materialistische wetenschappers, die aan de geest geen enkele rol willen toekennen, lijkt dus uit te komen, en zeker nu zelfs de schijnbaar levenloze materie leeft en vitaal blijkt. Het vitalisme, volgens welke er een inherente levenskracht is die alles in beweging houdt, werd door de post-socratische, Griekse filosofen Democritus en Epicurus bestreden, en ook door de Verlichting, die zich expliciet op hen beriep. Dit met de expliciete rechtvaardiging dat geloofsmisbruik te allen tijde moest voorkomen worden. So far so good. Die verlichte (of moeten we zeggen ‘verblinde’?) lieden hebben echter over het hoofd gezien dat ze, door het negeren en ontkennen van de rol van bewustzijn, onbedoeld ook de vernietigers van het leven en de dodelijke vijand van de mensheid zijn geworden. Ze hebben de historisch gegroeide interpretaties van goed en kwaad, door filosofen polair bedoeld, klakkeloos 1 op 1 overgenomen, maar dan duaal, corresponderend dus met hun materialistische wereldbeeld.

Deze interpretaties van goed versus kwaad, die Silvio Gesell in het algemeen en Ivan Illich voor de geneeskunde in het bijzonder ontdekt en beschreven hebben, worden overigens nog steeds constant aangemoedigd. De gevolgen van de inherente dwang van ons geldsysteem naar steeds meer productie, naar voortdurende groei, veroorzaakt cyclische rampen en steeds krachtigere winnaars maakt maar tegelijkertijd ook een toenemende verarming, en wordt door de slachtoffers ervan, die de wiskundig bepaalde, hardnekkige mechanismen van het geldsysteem niet kennen, jammer genoeg geïnterpreteerd als bewijs van het bestaan van een opzichzelfstaand kwaad.

Tragisch genoeg zien ook de mensen, die aan de winnende kant staan, hun wiskundig berekende, onvermijdelijke winst als bewijs voor hun uitverkorenheid, en het idee dat God aan hun zijde staat. Dit werd niet alleen het basisprincipe van het manicheïsme (Mani = Babylonische grondlegger van de religie, wiens volgelingen ‘manicheeërs’ genoemd werden), maar de volgelingen van deze principes waren en zijn de drijvende kracht achter de gevaarlijke aspecten en effecten van de industrialisatie, zoals Max Weber en anderen al veel eerder hebben erkend.

Het grotere plaatje van de verkeerde richting waarin de biologie en de geneeskunde zich bewegen, het onhoudbare dogma van de zogenaamde celtheorie, waarbij het lichaam zich zogezegd uit cellen zou ontwikkelen, in plaats van uit weefsels, hebben we vanaf 2014 meerdere keren in het tijdschrift ‘Wissenschafft-Plus’ besproken. De huidige celtheorie van het leven, uitgevonden in 1858 – dat is: de ‘cellulaire pathologie’ die tot de dag van vandaag de exclusieve basis vormt voor de biologie en de geneeskunde – stelt dat alle ziektes (net als het leven zelf) hun oorsprong vinden in de cel, dat deze soms ‘ontspoort’ en daardoor dus een ziektegif (Latijn: virus) zou aanmaken. De huidige wereldwijde en onbetwiste acceptatie van deze cellulaire pathologie, waaruit zich ook de theorieën over infectie, de genen, het immuunsysteem en kanker hebben ontwikkeld, kon enkel maar gebeuren door dat twee voorwaarden vervuld werden:

a. De celtheorie kon zich alleen bewijzen omdat Rudolf Virchow de betere en beslissende kennis van het lichaam als een set van weefsels (en dus niet van cellen) bewust achterwege hield. De kennis en inzichten in de structuur, functie en het centrale belang van weefsels bij de ontwikkeling en visualisatie van leven, die reeds lang bekend waren in 1858, weerleggen de celtheorie en de daaruit resulterende theorieën over genen, immuunsysteem en kanker fundamenteel.

b. De infectietheorie kon zich alleen verspreiden omdat ze door de nazi’s werd gepromoot. Vóór 1933 werd die door alle wetenschappers tegengesproken; na 1933 werden deze kritische wetenschappers geëlimineerd. Daardoor kon het Derde Rijk het infectie-idee (toegepast op joden die samenlevingen ‘infecteerden’) als een mondiaal dogma hanteren, zowel voor hun algemene politiek als voor de concrete politiek van eugenetica.

Wreedheid tegen dieren

Om met ‘virussen’ te kunnen werken en dus een schijnbare infectie te kunnen creëren, moesten virologen – tenminste totdat de virologie in 1952 werd opgegeven – ‘zieke’ en rottende weefsels eerst vloeibaar maken en dan filteren. Dit geconcentreerde filtraat, meende men, bevatte dan het ziektegif, een toxine die voortdurend door geïnfecteerde cellen wordt geproduceerd. Met dit filtraat werden vervolgens infectie-experimenten op dieren uitgevoerd. De resultaten moesten bewijzen dat er een virus aanwezig is en dat deze de ziekte veroorzaakt die eraan toegeschreven is. Dit is dus puur conceptueel, zowel qua definitie van het ‘virus’, als qua de effecten die men eraan toeschreef.

Wat echter nooit in het openbaar wordt verteld, is dat de symptomen bij de dierproeven die aan het virus worden toegeschreven, nooit bij mensen kunnen worden geproduceerd, maar altijd slechts ‘vergelijkbare’ symptomen. Mocht het virus dus doen wat het doet in alle organismen, dan ware dit een stuk logischer. toch worden deze non-identieke en slecht vergelijkbare symptomen zomaar gelijkgesteld aan dezelfde ziekte, maar dan bij de mens. niets van dit alles is wetenschappelijk, integendeel!

Tot op de dag van vandaag ontbreken de controle-experimenten voor deze ‘infectie-experimenten’ volledig. We kunnen dus niet uitsluiten dat de gegenereerde symptomen worden veroorzaakt door de ‘behandeling’ van het zogenaamde ‘infectie-experiment’ zelf, eerder dan door een virus. En toch gaan die wrede dierenproeven gewoon door.

Om bijvoorbeeld de overdraagbaarheid van mazelen te ‘bewijzen’ werkt men met apen die pijnlijk gefixeerd en geschoren zijn, in een vacuümkamer zijn vastgezet, en via een buis in de neus de zogenaamd ‘geïnfecteerde’ vloeistoffen in de luchtpijp en de longen krijgen toegediend. De schade die men vervolgens ziet, wordt dan toegeschreven aan de werking van het ‘virus’. Maar dezelfde schade zou ook worden veroorzaakt met een steriele zoutoplossing, gesteriliseerd bloed, etter of zelfs speeksel. De symptomen, die hooguit vergelijkbaar zijn met de mazelen, worden gelijkgesteld aan de mazelen.

Hun dood, overigens, is volledig zinloos. omdat de zogenaamd ‘geïnfecteerde’ vloeistoffen door filters worden geperst waarvan men denkt dat ze bacterie-bestendig zijn en/of licht worden verhit, beweren de wetenschappers dat het lijden en de dood van de dieren bij het infectie-experiment wel niet anders kan dan zijn veroorzaakt door virussen. Deze ‘wetenschappers’ negeren echter welbekende feiten, namelijk (1) dat er extreem veel meer onbekende bacteriën zijn dan bekende, (2) dat een groot aantal bacteriën hittebestendig is, en (3) dat ze sporen vormen die niet te filteren zijn. Met andere woorden: dit soort experimentele opstellingen leveren dus niet eens een geldig bewijs dat het énkel virussen zouden zijn deze ziekten kunnen veroorzaken. En wat ondertussen de bacteriën betreft: ze zijn betrokken bij herstelprocessen, zoals de brandweer bij het blussen van de brand. Ze zijn dus niet de oorzaak, maar deel van het biologisch herstelproces!

De rol van Nobelprijswinnaar John Franklin Enders

Tot 1949 dachten virologen hun vermeende ‘virussen’ te kunnen ‘vermenigvuldigen’ door een stuk rottend materiaal, dat uit een ‘met virus geïnfecteerd’ weefsel was genomen, op een schijf met ‘gezond’ weefsel van hetzelfde type te plaatsen. De zichtbare verspreiding van het verval, die scheen te gebeuren van het ‘zieke’ weefsel naar het ‘gezonde’ weefsel, werd abusievelijk geïnterpreteerd als de vermenigvuldiging en verspreiding van het virus, het ziektegif. Door controletests echter, die voor het eerst in 1951 werden uitgevoerd, erkenden de toenmalige virologen dat dit een normaal vervalproces was en helemaal niet werd veroorzaakt door een virus dat alleen in het ‘zieke’ weefsel zou voorkomen. Sinds 1952 is de virologie dus eigenlijk dood.

En dan is er Enders. Toevallig ontdekte hij – omdat hij in zijn laboratorium even niet over vers en ‘gezond’ zenuwweefsel beschikte – in 1949 dat ander weefsel dan zenuwweefsel ook verrot raakte wanneer hij er een stukje van de hersenen van een aan (zogezegd) ‘polio’ overleden persoon op legde. Tot dan toe dachten virologen dat een virus zich alleen kon vermenigvuldigen binnen het materiaal dat het later ook zou beschadigen. Voor de vermeende ontdekking dat ‘virussen’ zich ook in andere weefsels ‘vermenigvuldigen’, die bij levende mensen niet schadelijk zijn, ontvingen Enders en zijn kompanen op 10 juni 1954 de nobelprijs voor de geneeskunde. Vanaf dat moment werd het vermeende polio-’virus’ dus ‘vermenigvuldigd’ door stukjes foetale menselijke huid en foetaal menselijk spierweefsel te vermengen met stukjes hersenen van mensen die zogezegd waren gestorven aan ‘polio’, wat dan als mengsel gezamenlijk begon af te sterven. Het filtraat hiervan werd dan, in lijn met de geldende vaccin-productie-theorie geacht virussen te bevatten. De beroemde Jonas Salk nam dit idee trouwens over, zonder de bedenker van dit idee – John Franklin Enders – te vernoemen. Het filtraat van de vergane foetale menselijke huid en spieren gebruikte Salk als poliovaccin. De ‘New York Times’ beweerde dat het vaccin effectief en veilig was en Salk behaalde zodoende miljoenen winst.

Omdat hij wist dat hij hiermee misschien in legale problemen kon belanden aangaande intellectueel eigendomsrecht, heeft Enders vervolgens hard gewerkt om een andere techniek te ontwikkelen, waarvoor hij vanaf het begin wél de rechten kon claimen. Hij stortte zich op het op één na meest lucratieve gebied van de infectietheorie, namelijk het geheel aan symptomen dat ‘mazelen’ werd en wordt genoemd. Enders gebruikte daarbij het idee en de methoden van de bacteriologie (waarin hij promoveerde) en gewapend met het geloof dat fagen (sporen dus) de virussen van de bacteriën waren, ging hij aan de slag.

Analoog aan de techniek om het schijnbaar bacteriedodende effect van ‘fagen’ op een bacterieel gazon aan te tonen (een bacteriën houdende laag gelatine die bacteriële voedingsstoffen bevat), ontwikkelde hij een weefseluitstrijkje waarop een zogenaamd ‘geïnfecteerde’ vloeistof werd aangebracht. Hoe stelde hij vervolgens de aanwezigheid van het ‘virus’ vast? Zeer eenvoudig: door de dood van de bacterie daaraan gelijk te stellen. Met de dood van de bacterie, werd de dood van het weefseluitstrijkje dus gelijkgesteld aan de aanwezigheid van het vermeende mazelen-’virus’!

Dit was het ultieme bewijs van zijn bestaan, zijn isolatie en zijn vermenigvuldiging. Exact dit protocol wordt nog steeds gebruikt voor mazelen, met slechts een kleine wijziging om alle pathogene virussen te ‘detecteren’. Dit mengsel van dode weefsels/cellen overigens, wat op zich geen enkele genezende kracht bevat, staat, het kan niet genoeg herhaald worden, bekend als een ‘levend’ vaccin. Wanneer individuele componenten van een dood weefsel of van synthetisch geproduceerde moleculen in een vaccin worden gebruikt, spreekt men van dode vaccins. Maar het principe is hetzelfde: er is géén virus.

Er was echter een probleem. omdat Enders bij het Salk-poliovaccin in vergelijking met andere vaccins een opvallend hoog aantal sterfgevallen en schadelijke bijwerkingen zag – die hij overigens niet toeschreef aan vervuiling door het poliovaccin maar aan andere, onbekende ‘virussen’– werkte hij van dan aan met weefsels van apennieren en foetaal serum (bloed zonder vaste componenten) van paarden en runderen. Hij dacht dat dit betere resultaten zou geven dan de methode die Salk gebruikt had.

Zo werden Enders’ vluchtige speculaties van 1 juni 1954, voor het mogelijke bewijs van een 'agent‘ die bij het mazelen-’virus’ een ‘mogelijke’ rol zou ‘kunnen’ spelen, de exclusieve basis voor de geheel nieuwe genetische virologie van na 1952. Een paar maanden na zijn nobelprijs vergat of onderdrukte hij de tegenstellingen en twijfels die hij in zijn publicatie van 1954 zelf had gepresenteerd. Hij beweerde, met de diefstal Jonas Salk‘s ideeën voor het poliovaccin nog vers in zijn geheugen, dat alle toekomstige ontwikkelingen van een mazelenvaccin gebaseerd zouden worden op zijn techniek.

Even recapituleren

Er zijn vier opvallende en doorslaggevende verschillen tussen de detectie van echte sporen (‘fagen’ genoemd) van bacteriën en Enders’ zogeheten bewijs van vermeende menselijke en dierlijke ‘virussen’. Deze verschillen illustreren Enders’ misvattingen, waarin hij door zijn nobelprijs de hele wetenschap-persgilde en vervolgens ook de hele wereld met zich meetrok, zoals ook nu gebeurt tijdens de huidige Corona-paniek. Behalve natuurlijk een práchtig gelegen, mooi maar onverzettelijk Swabisch dorp aan de Bodensee...

1. De ‘fagen’ van bacteriën (dus eigenlijk de sporen) kunnen met standaardmethoden (centrifugatie die de dichtheidsgradiënt moet bepalen) in de correcte zin van het woord ‘isolatie’ inderdaad ook daadwerkelijk geïsoleerd worden. Dit klopt en is echt. Direct na de isolatie worden ze met een elektronenmicroscoop gefotografeerd, wordt hun zuiverheid bepaald en worden hun bestanddelen, het zichtbare aantal eiwitten en het stukje inbegrepen genetisch materiaal, biochemisch in één stap samen aangetoond. Dat staat vast.

2. Bij mens, dier en plant, echter, is nog nooit een ‘virus’ geïsoleerd, dus ook nooit in die geïsoleerde vorm gefotografeerd of zijn bestanddelen in één keer uit het ‘isolaat’ biochemisch aangetoond. Wat plaatsvond was, zoals reeds beschreven, een proces waarin men kwam tot consensus, waarbij door de jaren heen individuele componentjes van dode cellen in gedachten aan een abstract virusmodel werden toegeschreven. Bij dit interpretatieproces stonden de fagen aantoonbaar en herkenbaar model voor dit eerste abstracte ‘virus’-model, wat echter niet betekent dat datgene wat men modelleert ook echt hoeft te zijn.

3. De weefsels en cellen die worden gebruikt voor de ‘detectie’ en ‘vermenigvuldiging’ van de ‘virussen’ worden vóór het toedienen van de vermeende ‘infectie’ op een zeer speciale manier voorbehandeld. Van de voedingsstoffen wordt 80% ontnomen, zodat ze honger krijgen en de ‘virussen’ (in wezen: celafval) weer opnemen, als waren het voedingsstoffen. Hieruit spruit het idee voort dat ‘virussen’ cellen ‘binnendringen’.

4. De bacteriën worden behandeld met antibiotica om de mogelijkheid uit te sluiten dat bacteriën, die altijd en overal in alle weefsels en sera aanwezig zijn, een mogelijke celdood veroorzaken. Pas in 1972 erkende de biochemie dat de gebruikte antibiotica de cellen zelf beschadigen en doden, zonder dat dit echter werd opgemerkt door de virologen, die er tot op de dag van vandaag dus geen rekening mee houden. Het zijn exact de factoren 'verhongering‘ en 'vergiftiging‘ die leiden tot de zichtbare dood en desintegratie van cellen, die verkeerd wordt geïnterpreteerd als de aanwezigheid, nefaste werking en ‘vermenigvuldiging’ van de vermeende virussen. De normale controle-experimenten, die verplicht zijn in de wetenschap omdat daarmee kan worden uitgesloten dat in plaats van een virus alleen typische celcomponenten als virussen worden aangewezen, zijn tot op heden niet uitgevoerd. Deze controle-experimenten werden wel uitgevoerd bij de detectie, isolatie, biochemische- en elektronenmicroscopische karakterisering van de ‘fagen’ en dus sporen. Dat staat vast. Maar bij de vermeende ‘virussen’ dus niet.

De betekenis van het mazelenproces

Het oermodel van het mazalen-virus wordt tot vandaag de ‘Edmonston-stam’ genoemd, genaamd naar een uitstrijkje van een 11-jarige jongen, David Edmonston. Enders zag hoe diens weefselstructuur stierf door het inroeren van de zogezegd ‘virale’ weefselstructuur. Er was echter geen controletest, wat normaal gezien een centrale rol had moeten spelen. Hetzelfde gebeurt met een deel van het mengsel van onopzettelijk en onopgemerkt gedood apenweefsel en foetaal runderserum. Dat wordt ingevroren om steeds opnieuw door inoculatie van afstervende weefsels en cellen, verkeerdelijk gezien als ‘mazelen-virussen’, een levend vaccin samen te stellen.

In 2014 kwam het tot een proces tegen mijn persoon, en dit naar aanleiding van het uitschrijven van een wedstrijd, in 2011, waarbij ik 100.000 EUR beloofde aan de eerste wetenschapper die mij een artikel kon tonen waarin het mazelenvirus volledig zelfstandig geïsoleerd en beschreven stond. De reden dat ik dit gedaan had, was het voorkomen van de destijds voorgenomen verplichte vaccinatie tegen wat men ‘mazelen’ noemt. Een voormalige minister van Justitie belde me en vroeg naar actuele bewijzen, om de geplande verplichte vaccinatie tegen mazelen mee te kunnen voorkomen. Een officier van justitie (LoStA) met vele dienstjaren gaf ons de tip om een prijsvraag uit te schrijven, om dan in een daaruit volgend civielrechtelijk proces aan te kunnen tonen dat er geen wetenschappelijk bewijs is voor het bestaan van virussen en de vermeende veiligheid en werkzaamheid van de vaccins.

Dat is helemaal gelukt. De beslissende rapporten, notulen en beoordelingen van het mazelenvirusproces (2012-2017), waarnaar ik hier zal verwijzen, zijn gratis op het internet te raadplegen, op het adres http://wissenschafftplus.de/blog/de. Verdere rapporten en weerleggingen van de argumenten die tegen mij gebruikt zijn in het mazelenvirus, die de rechtbanken niet eens in behandeling hebben genomen, werden van 2014 tot 2017 gepubliceerd in hetzelfde tijdschrift. Ik ga hier echter een verkorte versie van de gebeurtenissen weergeven, in de hoop dat de verwoede liefhebbers van wetenschap en waarheid de zaak zelf dieper onderzoeken.

Men kan begrijpen waarom ik uiteindelijk won, als men weet dat de publicatie van John Franklin Enders van 1 juni 1954 in feite de enige en exclusieve basis is waarop de hele illusie van de genen-virologie gebouwd is.

Dit ene artikel dient voorts ook als basis voor de hele theorie van het ‘levende virus’-vaccin, en het ontkrachten komt dus neer op het ontkrachten van dit hele paradigma. Dit was dus een zeer belangrijk proces.

Omdat ik wist dat het Robert Koch Instituut (RKI), in strijd met haar wettelijke verplichting daartoe, geen enkele publicatie over het vermeende bestaan van het mazelenvirus openbaar had gemaakt, vroeg ik dus naar een publicatie met daarin een wetenschappelijke bewijs van het RKI, met daarin het bewijs van het bestaan van het mazelenvirus, waarbij diegene die dit kon aanleveren een prijzengeld van 100.000 EUR zou ontvangen. Het aas was uitgezet, en niet lang daarna contacteerde mij een jonge arts uit Saarland die me zes publicaties presenteerde, waaronder echter géén enkele van de RKI. Het was natuurlijk Enders’ publicatie van 1.6.1954 en ook nog vijf andere, die, zoals kon worden voorzien, allemaal uitsluitend betrekking hebben op het bronartikel van Enders.

Eén van die artikels is een uitgebreide review – de énige trouwens – van de theorie van het mazelenvirus. In deze 'review‘ wordt tot in detail het decennia lange, moeizame proces van consensusvinding tot in detail beschreven, over welke componenten van stervend weefsel nu wel en niet mochten worden toegeschreven aan het mazelenvirusmodel en hoe het mazelenvirusmodel constant moest worden bijgesteld. Ik antwoordde de jonge dokter dus – die mij trouwens ten zeerste aanbeval om van een moeizame gerechtelijke procedure af te zien en hem dus maar het prijzengeld uit te betalen – dat er in geen enkele van die publicaties een virale structuur voorkomt, maar slechts louter typische cel-eigen componenten die nog eens eenvoudig herkenbaar zijn ook.

Daaropvolgend leidde hij in 2014 echter toch een rechtszaak in, dit bij de lokale rechtbank van Ravensburg, zonder daarbij evenwel de zes publicaties voor te leggen. Had hij schrik gekregen dat die artikels inderdaad niet bewijzen dat het mazelen-virus bestaat? De Ravensburger-rechtbank oordeelde in ieder geval tegen mij, en dit is eigenlijk hoofdzakelijk te wijten aan het feit dat ze niet over de zes publicaties in kwestie beschikten, die aantoonbaar niet in het dossier aanwezig waren, en ik die om juridisch-technische redenen zelf ook niet kon aanleveren. De veroordeling door de lokale rechtbank van Ravensburg gebeurde dus eigenlijk zonder zelfs nog maar het belang van die zes teksten überhaupt in te zien.

De lagere rechtbank van Ravensburg (LG RV) besloot ook om de eis van de inmiddels gepromoveerde arts te honoreren en besloot daarbij dat het prijzengeld ook zonder dat een publicatie van het RKI voorhanden is – nochtans een wettelijke verplichting in Duitsland – ging, moeten worden uitbetaald. Bovendien besloot de rechtbank dat het niet nodig was om het wetenschappelijke bewijs voor het bestaan van het mazelenvirus in één publicatie in te dienen, maar dat, voor het vereiste bewijs in deze uitgeschreven wedstrijd, het zou volstaan om ook de argumenten die in totaal 3.366 publicaties tussen de jaren 1954 – 2007 te vinden kunnen zijn, toe te voegen aan de zes ingediende publicaties.

Ik ging dus in hoger beroep, dit keer bij de regionale rechtbank van Stuttgart.

Ttijdens die hoorzitting, waarbij de zes artikels wél weer een rol speelden, gaf de eiser tijdens de ondervraging door de voorzitter van de rechtbank toe dat hij de zes genoemde publicaties niet had gelezen. Dat was nieuw. Hij had er dus van in den beginne blijkbaar op gegokt dat ik mijzelf wel zou terugtrekken uit het debat, eens ik geïntimideerd zou geraakt zijn met het vooruitzicht van een ‘vervelende juridische strijd’, en dat zelfs het lezen van de artikels die hij als bewijs gebruikte dus eigenlijk niet nodig was. Misschien is hij zelf het slachtoffer geworden van de misvatting over virussen, die het dwaalspoor van de geneeskunde sinds 1858 niet doorzagen, omdat ze bij het controleren van hun aannames niet ver genoeg terug wilden gaan in de geschiedenis en daarom tegelijkertijd zowel dader als slachtoffer zijn van een dodelijk geloof in de infectietheorie en het vertrouwen in het vaccinatiesysteem.

Het is trouwens aannemelijk dat eiser de zes aangebrachte publicaties inderdaad zelf niet heeft gelezen, want ik schat het als quasi onmogelijk dat hij ze zelf gekozen heeft. Het zijn namelijk de enige publicaties in het gehele veld van ongeveer 30.000 gespecialiseerde artikelen over ‘mazelen’ die zelfs nog maar verwijzen naar het vermeende bestaan van het mazelenvirus. Alle andere publicaties, een aantal dat door één persoon niet meer te overzien is, gaan sowieso al uit van het bestaan van het mazelenvirus, en mensen vertrouwen daarbij uitsluitend op het klaarblijkelijke ‘bewijs’, waarbij steeds wordt verwezen naar die zes artikels, die uiteindelijk allemaal uitkomen bij ... Enders’ duidelijk onwetenschappelijke artikel van 1.6.1954!

Bij deze procesgang is het interessant om ook even in te gaan op de psychologie van mijn tegenstanders. De door het gerechtshof aangestelde deskundige, Prof. Dr. Podbielski uit Rostock, stelde dienovereenkomstig (of de regionale rechtbank van Stuttgart deed vooruitlopend op haar eigen besluit een aanpassing in het openingsbesluit van 2014): “Ik moet verduidelijken dat een bewijs in de klassieke zin, zoals dat in de wiskunde of de fysica gaat, in de biologie praktisch niet mogelijk is. In de biologie kun je bij voorbaat louter indicaties verzamelen, die op een bepaald moment samengevat moeten worden en van daaruit algemene autoriteit verwerven.”

Uit op deze uitermate onwetenschappelijke bewering, die voortkomt uit het spanningsveld van Podbielski‘s behoefte aan bewijs dat het bestaan van virussen wetenschappelijk zijn enerzijds, en de tegenspraak van de empirische feiten met zijn eigen theoretische overtuigingen anderzijds, komt iets naar voren dat gedragsdeskundigen definiëren als zogenaamd ‘overspronggedrag’. Hij verzint een excuus dat voortkomt uit zijn wanhoop, namelijk: dat de biologie en de daarop gebaseerde geneeskunde – vaccinatie – per definitie onwetenschappelijk en niet te bewijzen zijn. Alleen een verzameling van ‘indicatoren’ kan ‘soms’ en ‘op een bepaalde manier’ wel eens bewijs opleveren.

Een duidelijkere erkenning van de feitelijke onwetenschappelijkheid van de hedendaagse biologie en geneeskunde is nog nooit zo duidelijk op papier gezet! Het bewijs dat het bestaan van het mazelen-virus tot op vandaag niet aangetoond is, werd hiermee definitief geleverd! Het is nu zaak dat bewijs ook effectief om te zetten in gezonde wetten voor het volk. De vaccinatie tegen mazelen, die wettelijk effectief is sinds 13 februari 2020 en die op 1 maart 2020 in werking treedt, maar dus niet op wetenschap berust, en bijgevolg ongeldig is, moet worden teruggedraaid. Ze is een illegale aantasting van de grondrechten van éénieder.

Bron & Bibliografie: Germaanse Geneeskunde.nl

Natuurlijk roept ook deze tekst vragen op, zoals...

Waarom werken vaccins dan wel?... Kijk, bijvoorbeeld, naar polio of mazelen die - dankzij inentingen -  in onze gewesten praktisch volledig zijn uitgeroeid. Natuurlijk werden er uitzonderingen vastgesteld, vooral bij mensen die, onder andere, vanwege hun geloof er niet aan meededen.

Maar, in andere delen van de wereld gaat het er nog immer anders aan toe. Bijvoorbeeld...

Eind 2019 waren er in Congo-Kinshasa meer dan 4.500 sterfgevallen als gevolg van een mazelen-epidemie. Die epidemie was te wijten aan (1) lokale conflicten en (2) slecht functionerende gezondheidsdiensten. Nu ga ik niet alles wat op het internet te vinden is, kopiëren... :-)

Wel kunnen we - wat polio betreft - op Wikipedia lezen dat het in onze westerse wereld niet meer voorkomt, godzijdank!

En, wat virussen betreft: indien ze niet bestaan, wat verricht dan de schade die aan het Corona-virus wordt toegeschreven?

Ter herhaling: Ikzelf vond het interessante informatie dat alleszins tot een nadenken aanzet. Maar, van mij mag je al het bovenstaande heel gerust met een korreltje zout nemen, desgewenst: met een gehele Siberische zoutmijn, als je dat verkiest. :-)

Commentaar


Wees de eerste om te reageren!

Reageer


Opgelet: momenteel ben je niet ingelogd. Om onder jouw eigen naam te posten kun je hier inloggen.

Mijn naam:    
Mijn e-mail adres:    
Mijn commentaar:
Verificatie:
Typ de code hierboven in:
 


School voor ontwikkeling van De Innerlijke Mens


Adverteer op Spiritualia
Adverteren
Zoek&Vind
Meer
Spiritualia
Contact
Copyright © 2008-2020 Spiritualia. Alle rechten voorbehouden. | Privacy Statement | Gedragscode | Algemene Voorwaarden | Auteursrecht