ProfielWie ben ikMijn interessesMijn poëzieBerichtenVriendenBeheer

eagle's blog

Anders Breivik

Anders Behring Breivik...

Dit geval duidt in wezen weer maar eens het failliet aan van de psychiatrie. Voor de ene partij is hij ontoerekeningsvatbaar en voor de andere toerekeningsvatbaar. Waar hebben we dat nog gehoord!

Mensen vliegen uit geloofsovertuiging voor de goede zaak met een vliegtuig in de Twin Towers. Resultaat: bijna 3.000 doden.

Wie weet nog hoeveel slachtoffers er reeds zijn gevallen door zelfmoordterrorisme en terrorisme? En dat allemaal uit de een of andere geloofsovertuiging, die niet religieus hoeft te zijn. Een overtuiging die zo sterk is, dat men er zelfs zijn eigen leven voor veil heeft. 

Hitler's Holocaust beruste op de geloofsovertuiging dat de wereld beter af was met een zuiver ras van Ariërs. Resultaat: Meer dan 6 miljoen joden vergast, verbrand en begraven en een wereldoorlog die tussen de 50 en de 70 miljoen doden heeft veroorzaakt.

Stemt het niet tot nadenken dat: “personen zoals een Hitler (en zijn entourage) - indien hij nog had geleefd -; de generaal en president die besluiten een vreemd land de oorlog te verklaren onder bedrieglijke voorwendsels [twee resultaten als voorbeeld: meer dan 1 miljoen doden in de oorlog in Vietnam en meer dan 700.000  (tot nog toe) in Irak); leiders, zoals Stalin en Franco onder wiens regime respectievelijk miljoenen doden en meer dan 500.000 slachtoffers zijn gevallen; en ga zo maar door], niet voor psychiaters moeten verschijnen om vast te stellen of ze wel of niet toerekeningsvatbaar waren? Zijn in wezen niet alle grote veroveraars, zoals een Alexander de Grote, Djengis Khan, Julius Cesar en Napoleon verantwoordelijk voor massamoord en dus ontoerekeningsvatbaar?  

Maar wat zien we: ze worden in de geschiedenis als helden voorgesteld - of - vereerd of verguist, afhankelijk van iemands standpunt en aan wiens kant hij stond. Wat uiteraard relatief is voor een neutrale waarnemer.

Is er werkelijk een essentieel verschil tussen het gedrag van Anders Breivik en de historische figuren die hier zijn opgenoemd? Maar het gaat nog verder: “Wat te zeggen over al die mensen die dergelijk historische figuren steunden in hun acties”? Van een Hitler is mij niet bekend dat deze eigenhandig ook maar één mens heeft vermoord. En als we kijken naar het nieuws over onze samenleving en vernemen hoe mensen elkaar de duivel aandoen en wat voor gruwelen ze soms veroorzaken - zelfs tussen ‘geliefden’ onderling, familieleden en eigen kinderen - dan mogen we ons gelukkig prijzen dat wij geen grote macht hebben en onze tirannie beperkt blijft binnen onze directe omgeving.

De centrale vraag in dit alles is, of wij anders zouden hebben gehandeld als de aangehaalde personen wijzelf waren geweest. Dat wil zeggen: niet denken over wat deze persoon bij jou voorstelt en dan nog eens door jouw gekleurde bril van je persoonlijkheid en moraal kijken, maar werkelijk deze persoon te ‘zijn’.

Met andere woorden, op dat bepaalde tijdstip het toevallige (onvoorspelbare!) resultaat te zijn van: “Het samenkomen van die bepaalde zaadcel (uit miljoenen andere zaadcellen met ieder zijn specifieke eigenschappen, waaronder het bepalen van je geslacht!) met die specifieke eicel; het groeien van de bevruchte eicel onder die willekeurige specifieke omstandigheden (zoals het gedrag en voedsel - waaronder eventueel drugs, schadelijk medicamenten, enzovoort - van je moeder in relatie tot haar omgeving, cultuur en geografie); geboren te worden en opgevoed, eveneens onder die specifieke willekeurige door jouw aangetroffen omstandigheden zoals ouders, familie, school, vrienden, politiek klimaat, enzovoorts”  

Kun je dan in alle eerlijkheid nog beweren dat jij niet hetzelfde had gedaan als je deze persoon was?!

Ben je werkelijk zo vrij als je denkt te zijn? Deze dingen zijn zo onverteerbaar dat we ervan gaan lopen, wat de zaken alleen maar verergert.

Heel waarschijnlijk zal Anders Breivik ontoerekeningsvatbaar worden verklaard, want dan kan de mens terug op zijn twee oren slapen. Er is een verklaring, en dat brengt tijdelijk rust. Maar zou het niet zo kunnen zijn, dat in wezen praktisch onze ganse maatschappij ontoerekeningsvatbaar is en dergelijke aangehaalde excessen een soort kankergezwellen zijn van een zieke maatschappij?         



Gepost door eagle op donderdag 19 april 2012 2 reactie(s)


Het Godsbewijs

Het Godsbewijs. (De cursieve tekst is een persoonlijke benadering van deze ‘Bewijzen’.)

NB: Dit artikel is ontstaan als reactie op twee schitterende romans, namelijk: ‘Het Godsbewijs’ van Jill Paton Walsh en ’36 argumenten voor het bestaan van God’ van Rebecca Newberger Goldstein. Ik gebruik slecht twee Godsbewijzen  - afkomstig uit de ‘36 argumenten voor ..’ - (zie B en C)…’ , omdat de weerleggingen van deze bewijzen ook een weerlegging inhouden van de andere bewijzen.    

A. Opening.

Voor zover we weten is het alleen de mens die vraagt om een bewijs van het wel of niet bestaan van iets. Dat iets kan zintuiglijk worden aangetoond of door ons denken worden afgeleid. Onze zintuigen en onze psychische vermogens zijn het middel waarmee het denken werkt en betekenis verleent (objectief maakt) aan onze waarneming.

Maar wat wij zintuiglijk gewaarworden, is afhankelijk van de aard, de kwaliteit (gevoeligheid), het aantal zintuigen (of hulpstukken daarvan) dat ons ter beschikking staat, en het milieu waarin ze moeten functioneren. Als we zeggen dat de aard van onze gewaarwordingen iets anders is dan de externe prikkels (of energetische trillingen) die onze zintuigen beroeren, dan volgt daaruit noodzake-lijkerwijs dat gewaarwordingen een soort coderingen zijn van deze energetische trillingen. Maar deze ‘noodzakelijkheid’ is dus afhankelijk van de interpretatie dat onze waarnemingen berusten op zintuigen die afhankelijk zijn van externe prikkels. Maar bij deze bewering wordt over het hoofd gezien dat zintuigen zelf ook kunnen worden waargenomen [bij de andere en bij jezelf  - en wat je eigen ogen en hersenen betreft (dit laatste kan tijdens een operatie waarbij iemands hersenen blootliggen): via een spiegel] en dus in feite zelf reeds object van waarneming zijn. Zodoende is het dus logisch niet correct om op onze ogen (of andere zintuigen) het predicaat “‘zin’-tuigen” te plakken, want uit onze gevolgtrekking volgt dat het niet onze ogen of andere zintuigen zijn die ‘zin’ verlenen aan onze waarnemingen, maar het intuïtieve denken. (NB: Ik laat hier gemakshalve het formatorisch denken - wat in wezen geen denken is – achterwege!)

M.a.w. onze zintuigen (fig. gesproken!) ervaren enkel eendimensionale gewaarwordingen. Ruimte, tijd, (en dus ook causaliteit) en vorm zijn een product van de geest en niet van de zintuigen.

(NB: We kunnen ook het begrip geest niet vervangen door ‘hersenwerking’, want ook ‘hersenen’, haar ‘structuur’, ‘aard’, ‘werking’, ‘kwaliteiten’, enz.  berusten ook op zintuiglijke gewaarwordingen (vooral visuele) die het gevolg zijn van eendimensionale prikkels of trillingen. En hun vermeende scheppings-kracht om aan alles betekenis te verlenen is dus onterecht omdat ze zelf reeds de geestelijke om-schrijving van iets zijn, en de ene omschrijving kan niet de oorzaak zijn van een andere omschrijving omdat omschrijvingen zichzelf niet schrijven.)

Maar ook ‘geest’, ‘kracht’, ‘energie’, en zelfs ‘God’, zijn dus maar woordbegrippen die naar iets onbeschrijfbaar verwijzen.               

Daarbij komt dat een bewustzijnsobject op zichzelf  niet kan bestaan, maar in werkelijkheid de manifestatie is van een web van complexe zintuiglijke gewaarwordingrelaties. De oorsprong van het leven, de mens en de kosmos ligt in een onpeilbaar ver verleden waarvan het wetmatige complex niet meer is te achterhalen en dus als toevallig aandoet. En dit bewustzijnsobject vormt maar een heel klein en levensnoodzakelijk deel van de niet geopenbaarde krachten achter zo’n bewustzijnsobject. Daarom is de wereld zo mysterieus voor ons. En dit mysterieuze komt ook voort uit het gegeven dat de mens zijn observaties heeft gestrikt in een zich steeds wijzigend net van woordbegrippen die verschillen van mens tot mens, van omgeving tot omgeving, en van cultuur tot cultuur en waardoor de door de mens geschapen werkelijkheid mysterieus kan aandoen vanwege de onverenigbare gevoelens en gedachten die hij er op nahoud t.o.v. zichzelf en het (de) ander(en).

Er is dus geen enkele noodzaak om aan deze mysteries de naam God te geven als verklaring, want dit verandert niets aan het mysterie. Het is geen mysterie omdat het goddelijk is, maar omdat om iets te kunnen ervaren er de illusie van scheiding moet zijn, waardoor de openbaringen noodzakelijkerwijs beperkt lijken in de tijd.

En door het mysterie God te noemen, heb je niets verklaard maar enkel het mysterie verplaatst, want nu moet je verklaren hoe God zelf aan zijn mysterieuze complexiteit is gekomen. Daarbij komt dat men ten onrechte denkt dat het heelal geschapen is (dit volgt uit de illusie van de mens dat hij zelf ook kan scheppen) en dan moet men noodzakelijkerwijs verklaren door wat. Maar als je aanneemt dat er altijd iets is geweest en dat iets door inherente tegenstellingen steeds verandert, dan is er geen schepper of God nodig. Dan kom je tot de voor de mens onverteerbare vaststelling dat ‘alles gebeurt’ en dat dit ‘gebeuren’ geen schepper nodig heeft, net zomin als een magneet God nodig heeft om ijzer aan te trekken.                  

Om iets te kunnen bewijzen, moet je het eerst definiëren. De definitie is dat God almachtig is,  oneindig, eeuwig, zuivere liefde en ondoorgrondelijk, anders heeft het begrip God geen zin. Maar op dat moment heb je het begrip God buiten een definitie geplaatst en kan dus niet bewezen worden.       

Als je zou kunnen bewijzen via logica dat God bestaat, dan is het bestaan van God afhankelijk van de logica van een sterfelijk en veranderlijk wezen. Er zijn vele dingen die geen bewijs behoeven omdat hun aanwezigheid op de een of andere wijze voor iedere schepsel waarneembaar is. Door zo’n boven alles verheven begrip als God te willen bewijzen, degradeer je dus onbewust God tot minder dan zo’n ding dat voor niemand een bewijs behoeft. Het enige dat dan in feite bewezen is bij het gebruik van logica zijn de regels van deze logica zelf, en hierdoor trekt deze zichzelf als een soort Baron van Munchhausen aan haar eigen haren omhoog uit haar zelfgeschapen regels.                                                                                       ***

De vraag is: ‘Wie of wat bewijst de geldigheid van iets.’ Dat is het denken. Als je aan het denken op zich (dus niet aan gedachten!) twijfelt, dan verlies je alle grond. Dat betekent dus, dat het denken op zich niet in twijfel kan getrokken worden, want het verleent waarde aan de zintuiglijke indrukken en door deze waarde ontstaat de illusie van onderscheid.

Je moet je er wel bewust van zijn dat twijfelen over het denken een gedachte is die geen uitstaans heeft met het denken zelf. Het enige dat ‘fout’ kan zijn, zijn de ideeën (voedsel) die je op het denken loslaat.    

Hoe weet je nu wat ‘foute’ ideeën zijn?

Op dezelfde manier dat je jezelf geen twee keer aan dezelfde steen stoot. M.a.w. pijn onder welke vorm ook (fysiek, emotioneel of intellectueel) betekent dat er iets uit evenwicht is en dat dit evenwicht moet hersteld worden. Het denken heeft dus juist gehandeld als er volledige bevrediging (zowel fysiek, emotioneel als mentaal) optreed. Ontstaat dit evenwicht niet, dan wil dat zeggen dat er verkeerd voedsel voor lichaam, ziel en geest zijn aangereikt en dan moet dit pad worden verlaten.

‘Niet bestaan’ is een onmogelijkheid. De vorm en graad van bewustzijn (toestand) kan verschillen, maar het kan niet tot niets worden teruggebracht. Daar bestaan dus niet aan twijfel onderhevig kan zijn, hoeft deze ook geen bewijs. Bestaan is en zal er altijd zijn en heeft dus geen bewijs nog aan- bidding nodig.                   

NB: In de roman ‘Het Godsbewijs’ komt tot uitdrukking dat bepaalde mensen (zoals o.a. Josefa, Jaime en Palinor) die zich niet gedragen als schriftgeleerden en farizeeërs, met hun hart veel dichter staan bij wat Jezus voorstond, dan deze ‘spirituele reuzen op lemen voeten’, omdat zij hun waarden of hun ‘zijn’ niet opdrongen aan de anderen. Zij overdachten hun hart niet en lieten de anderen er van drinken zonder dat zij de bron tegen heug en meug naar de drinker wilde brengen.                                                                                              ***

B. Anselmus van Canterbury (1033-1109) was de eerste die een ontologisch bewijs van het bestaan van God formuleerde. Dit zogeheten Godsbewijs  laat zich als volgt omschrijven:

1. God is het grootst denkbare (dit zou deel uitmaken van de definitie van ‘God’).

2. Het is groter te bestaan dan niet te bestaan.

3. Als we aan God denken als aan iets wat niet bestaat, kunnen we nog aan iets groter denken dan God (uit 2).

4. Aan God denken als aan iets wat niet bestaat betekent: niet aan God denken. (uit 1 en 3)

5. Het is ondenkbaar dat God niet bestaat (uit 4).   

6. Dus: God bestaat.

In andere bewoordingen: “Het is mogelijk om een wezen te bedenken dat zo groots is dat een grootser wezen niet kan worden bedacht. Zelfs een atheïst kan zo’n alles overtreffend wezen verzinnen, hoewel hij het bestaan ervan in de werkelijke wereld zou ontkennen. Maar, aldus het argument, een wezen dat niet bestaat in de werkelijke wereld is ipso facto minder dan volmaakt. Dus stuiten we op een tegenspraak en dus - bingo! - God bestaat.”

Weerleggingen.

Bertrand Russell (1872-1970): “De werkelijke vraag is: bestaat er iets dat we kunnen bedenken dat omwille van het zuivere feit dat we het kunnen bedenken, aantoonbaar buiten onze gedachten bestaat? Iedere filosoof zou graag 'ja' willen zeggen, omdat het de taak is van filosofen om dingen te ontdekken over de wereld door na te denken en niet zozeer door waar te nemen. Als 'ja' het juiste antwoord is, ligt er een brug tussen het pure denken en de dingen. Zo niet, dan niet.”

Immanuel Kant (1724-1804): “Je kunt uit een begrip niet het bestaan van het ding bewijzen, want dan zouden honderd mogelijke daalders niet meer of minder zijn dan honderd werkelijke daalders.

Dit laatste argument (zoals het hier is geformuleerd!) kan je logisch als niet steekhoudend beschouwen. Het feit dat je denkbeeldige daalders kon voorstellen, kwam omdat er echte ‘daalders’ bestonden. Maar hier kun je dan weer even logisch tegenover stellen, dat een werkelijke daalder het gevolg is van een idee dat ontsproten is aan de menselijke geest. Ik vermoed dat in de oorspronkelijke formulering van Kant zelf, het ging om de praktische waarde van een echte daalder tegenover de praktische waarde van het verbeelden van het bezit van een daalder.

Anselmus (en ook Russel) wil dus volgens mij zeggen, dat als je je iets kunt voorstellen, dat ook moet bestaan (of bestaan heeft, maar dit laatste was zeker niet wat Anselmus op het oog had) als zuiver geestelijk iets dat aan de gedachte voorafgaat. Dus zou men in de geest van Anselmus en Russel kunnen stellen dat het feit dat de mens zich het begrip God kan vormen, ook betekent dat dit begrip verwijst naar iets oorspronkelijks waaraan ideeën ontspringen en daaropvolgend de verwerke-lijkingen van deze ideeën.

Maar menselijke ideeën ontstaan uit menselijke behoeften, en God mag toch verondersteld worden behoefteloos te zijn. Dit is naar mijn gevoel en weten de werkelijke fout die Anselmus en Russel over het hoofd hebben gezien. 

‘Nieuw bewijs’ van Emanuel Rutten (in 2012!): “Ik vertrek van twee eenvoudige uitgangspunten,' legt hij uit. ‘Het ene uitgangspunt is het volgende: het is onmogelijk om met zekerheid te weten dat God niet bestaat. Het andere uitgangspunt luidt: iets dat onmogelijk gekend kan worden, is noodzakelijk onwaar. Met andere woorden: het is onwaar dat God niet bestaat. Daaruit volgt: God bestaat.”

‘Nieuwe’ weerlegging: “’Het is ook onmogelijk met zekerheid te weten dat er op een andere planeet geen mensen met vleugels zouden kunnen  bestaan. Iets dat onmogelijk gekend kan worden, is noodzakelijk onwaar. Met andere woorden: het is onwaar dat deze mensen niet bestaan. Daaruit volgt: Mensen met vleugels bestaan.’ Op deze wijze gesteld, lijkt het op een kinderachtig spelletje om zo’n onpeilbaar begrip als ‘God’ in dergelijke zin te gieten. Maar hoe zit het verder met de geclaimde logica? Er is een aanzienlijk verschil tussen ‘de onmogelijkheid iets met zekerheid te weten’ en de uitspraak dat ‘iets dat niet gekend kan worden noodzakelijk onwaar is’. Deze laatste stelling is enkel geldig indien iets ‘Absoluut’ niet kan gekend worden, en dat is iets anders dan zeggen dat er onzekerheid bestaat met betrekking tot het mogelijk bestaan van iets. Rutten gaat er ook zonder enige twijfel van uit, dat alleen wat gekend kan worden, waar is. Maar je kunt ook stellen dat de waarheid van iets niet wordt bevestigd door de kennisname ervan, maar door het bewustzijn waarin deze kennisname verschijnt. Men kan dus de stelling van Rutten omkeren en tot dezelfde conclusie komen: ‘Dat wat gekend kan worden is noodzakelijkerwijze onwaar (omdat wat gekend wordt tijds- en cultuurgebonden is en door iets moet gekend worden dat zelf niet aan verandering onderhevig is). En omdat God niet gekend kan worden, volgt daaruit noodzakelijkerwijs dat God waar is en dus het enige dat bestaat.” En dan de zin: ‘Met andere woorden: het is onwaar dat god niet bestaat.’ Wat heeft dit in godsnaam uitstaans met de ‘twee vorige uitgangspunten’?” 

“Dan is er ook het probleem met de logica (alhoewel de vermeende logica van Rutten mij volledig ontgaat),en het woord ‘God’. Zoals in mijn Opening  (blz.1) al is vermeld, kan men geen gewone logica toepassen op iets dat niet objectief te maken is, en dat houdt in dat iedere naam die iemand aan dit niet objectief te maken niets (niet-iets) geeft, gerechtvaardigd is, zolang de persoon die deze naam heeft geschapen, maar beseft dat het in theorie elke mogelijk naam had kunnen zijn, waardoor de naam in wezen zijn betekenis verliest. En dat is oké, want deze ‘niet objectiveerbare staat’ kan niet ‘gekend’ worden, en iedere definitie ervan is niet meer dan een verwijzing, zoals een schaduw naar het onzichtbare licht verwijst.”

“Bovendien heeft de grote wiskundige K. Gödel al door zijn ‘onvolledigheidstellingen’ bewezen dat formele systemen (hierin worden de wiskundige axioma’s van de getallenleer in abstracte symbolen gegoten zodat men ze aan logische regels kan onderwerpen teneinde hun bewijskracht te conso-lideren) niet in staat zijn om ware uitspraken binnen dit systeem via die formele theorie zelf, af te leiden.

In begrijpelijke menselijke termen wil dit zeggen dat als een bewijs voor iets terug in het formele systeem wordt ingevoerd om de bewijskracht ervan te toetsen, dit niet mogelijk is. Als je muziek die uit de luidsprekers komt via een luispreker terug invoert in het systeem (de versterker-ontvanger),  krijg je geen muziek meer en blaast het systeem zichzelf uiteindelijk op. M.a.w. het is zinloos om een bewijs trachten te bewijzen, want dan kom je in een oneindige regressie terecht en is krankzinnigheid het gevolg.”    

C. Spinoza (1632-1672) geeft ons een van de subtielste en elegantste argumenten voor het bestaan van God. Het was deze God waarnaar Einstein verwees als men hem vroeg of hij in God geloofde.   

1. Voor alle feiten moet een verklaring bestaan.

2. Er bestaat een verklaring voor het feit dat er überhaupt een universum is – en dat het dit universum is, met louter deze natuurwetten (uit 1).

3. Er moet, in principe, een Theorie van Alles zijn die verklaart waarom louter dit universum, met deze natuurwetten, bestaat. (Uit 2. Dit betekent overigens niet automatisch dat wij het vermogen bezitten de Theorie van Alles te ontdekken; het is mogelijk dat dit onze cognitieve vaardigheden te boven gaat.)

4. Als de Theorie van Alles alles verklaart, verklaart dit waarom dit een Theorie van Alles is.

5. De enige manier waarop de Theorie van Alles zou kunnen verklaren waarom ze de Theorie van Alles is, is dat zij zelf noodzakelijk waar is (dat wil zeggen, waar in alle mogelijke werelden).

6. De Theorie van Alles is noodzakelijk waar (uit 4 en 5).

7. Het universum, zoals opgevat in het licht van de Theorie van Alles, bestaat noodzakelijk en verklaart zichzelf (uit 6).

8. Wat noodzakelijk bestaat en zichzelf verklaart is God (een definitie van ‘God’).

9. Het universum is God.

10. Dus: God bestaat.      

Weerlegging: “Afgezien van wat ik al over ‘bewijzen’ en ‘logica’ heb gezegd, kun je jezelf de vraag stellen of het werkelijk zo is dat er voor alle feiten een verklaring moet bestaan? Kan het niet zijn dat de dingen zelf om geen verklaring vragen, maar er gewoon zijn en op elkaar wetmatig reageren? In dat geval is wat wij een ‘verklaring’ noemen en een ‘wet’, niets anders dan een woord voor de vast-stelling dat de dingen zuiver mechanisch op elkaar reageren volgens hun eigen wetmatige (mechanische) aard. Een ‘wet’ is in dat geval niets anders dan waarnemen dat de dingen zich onder bepaalde omstandigheden steeds hetzelfde gedragen, en zulke wetten hoeven dus geen goddelijke verklaring. Een wet is een uivinding van menselijke makelij. Wat men vroeger een geest of een spook noemde, heet nu een wet, maar het begrip ‘wet’ is in wezen niet meer dan een spook van moderne wetenschappelijke makelij. Hoe we het ook benoemen dat de dingen schijnt te laten bewegen en dat ook als leven kan worden aangevoeld en geïnterpreteerd, het maakt geen enkel verschil uit voor de werkelijkheid zelf.”

“Een ‘verklaring’ volgt altijd na de feiten en dus kan zij in wezen geen verklaring voor de feiten geven, want dan zouden we de dingen kunnen voorspellen en dat is op lange termijn onmogelijk gebleken, zoals het leven maar al te dikwijls pijnlijk aan den lijve heeft ondervonden.”

“Als ik eerst iets ‘Alles’ noem, en dan dit ‘Alles’ het universum, en daarna de werking van dit ‘alles’ in het ‘Alles’ als wetmatig beschouw en het universum dus zichzelf verklaart, en daarna dit ‘zichzelf-verklarende universum’ God noem, heb ik dan het bestaan van God bewezen? Neen! Ik had dit universum iedere naam kunnen geven die ik wilde, zonder dat dit ook maar iets veranderde aan het universum, of beter: ‘Wat achter deze begrippen schuilgaat’.”

D. Besluit.   

Bij het claimen van een bewijs, moet je jezelf afvragen wat je van het bewijs verlangt en waarom je de logica die het bewijs moet ondersteunen hebt geconstrueerd. Dan zul je merken dat de logica en het bewijs niet waardevrij zijn, maar zijn opgesteld in functie van een verlangen. M.a.w. iemand die een begrip als God nodig heeft, ontwerpt een logica die in wezen zijn verlangen moet bewijzen en niet wat hij claimt te bewijzen. En iemand die geen geloof in een God nodig heeft en dit begrip wil weerleggen, stelt de logica zodanig op dat het bewijs eraan moet voldoen, maar ook hier bewijst men enkel zijn verlangen en bewijst men dus weer niet wat men denkt te bewijzen.

En daar God - wil dit begrip enige waarde hebben - als verlangenloos moet worden gezien, duid dit er op dat God iets is dat ligt voorbij ieder verlangen en dus ook voorbij iedere logica, omdat logica ontstaan is uit het verlangen om te bewijzen.

Je kunt ook stellen dat ‘verlangen’ een menselijk begrip is dat de werkelijke lading misschien niet dekt. Het begrip ‘verlangen’ is een woord voor een gevoelsmatig gevolg op een gewaarwording in de mens. En de reactie op deze neutrale gewaarwordingen (het daarop volgend negatieve of positieve gevoel), vertalen wij als ‘drang’ of ‘wil’. De oorzaak van deze manifestaties en de wijze waarop deze worden ervaren, zullen van soort tot soort verschillen. Het is niet omdat wij water op een manier gewaarworden die we als nat, dorstlessend, verkwikkend, enz. omschrijven, dat dit ook de eigenschappen van water op zich zijn (als dergelijke eigenschappen al zouden kunnen bestaan!).

Voelt een diepzeevis het water als nat, dorstlessend, verkwikkend, enz. aan? Hoe beleefd een wezen dat geen zuurstof nodig heeft, zuurstof? En ga zo maar verder. M.a.w. een gewaarwording en gevoel zijn iets - dat ieder op zich – zich bevindt op de grens tussen twee verschillende mediums (of krachten) die ‘wij’ vertalen als ‘zintuigen’ en een ‘externe wereld’ waarmee ze contact maken. Maar het begrip ‘zintuigen’ en ‘wereld’ is hier misleidend, omdat deze reeds deel uitmaken van de ‘grens’. De aard of het ‘zijn’ van de ‘zintuigen’ is ondergedompeld in de ‘externe realiteit’ (het ‘Absolute Zijn’ of de ‘Bron’), en de verzoening van deze beide bepaald de hoedanigheid van de zintuiglijke gewaar-wordingen, onze gevoelens en ons wereldbeeld. Maar deze twee (‘zintuigen’ en ‘externe realiteit’) zijn in werkelijkheid niet te scheiden en dus één. Daarom is iedere verklaring misleidend en in feite een leugen die op zijn best direct naar de waarheid verwijst.  

                                                                                       *******



Gepost door eagle op maandag 16 april 2012 0 reactie(s)


Vervolg op 'Bewustzijn, hersenen en vrije wil' van 05/04.

Het klinkt zo eenvoudig: ‘... het neurale circuit waarin het lichaamsbeeld vastligt...’, maar wat houdt dit in werkelijkheid in? Hoe slagen neuronen er in een neuraal circuit op te bouwen dat een lichaamsbeeld moet representeren? Dit ligt in het verlengde van de vraag hoe  uit de bevruchting van een eicel door een zaadcel een menselijk lichaam kan ontstaan. Cellen hebben geen ogen, oren, hersenen, zenuwen, enz..  Ze zijn als ontelbare duikbootjes die verschijnen en verdwijnen in wat door de mens wordt gezien als een orgaan en lichaam, en dat zonder ooit aan de oppervlakte te komen van wat zij op hun eigen specifieke manier ervaren als hun omgeving of kosmos. Waarschijnlijk kunnen we in wat Ramachandran noemt: ‘een neuraal circuit waarin het lichaamsbeeld vastligt’, als een functie van een van de hogere lichamen zien waar Gurdjieff over spreekt, namelijk het ‘Mentale Lichaam’. En wat de transmissiecellen met hun goddeloos geheim betreft (zie hier onder!), deze voldoen misschien aan de functie van wat Gurdjieff het Causale Lichaam noemt.         

Gurdjieff (1872-1949! /zie ‘Dialogen met Gurdjieff’) zou hier het volgende over hebben gezegd:

“Het Geheim is het Werk. Er zijn geheimen binnen geheimen, kennis binnen kennis en inzicht binnen inzicht. Het lichaam weet dat het er is en leeft, maar binnen het lichaam bestaan transmissiecellen die geheime informatie overdragen van generatie op generatie. Deze speciale cellen geven aan een leeuwenembryo door een nieuwe leeuw te vormen en de menselijke foetus wordt een nieuw mensje. Al die cellen zijn nodig. zonder niercellen kan niemand leven. Maar je kunt de teencellen op geen enkele manier  vergelijken met de cellen die informatie dragen. Zij kennen diepe, goddeloze geheimen, die de tenen toch niet kunnen begrijpen. Op een dag komt er een baby tevoorschijn en de tenen merken dat zij eraan vastzitten. Zij weten niet hoe ze daar terecht zijn gekomen, de transmissiecellen weten dat wel. Zij zaten in het sperma van de vader en kennen hun herkomst. Zij waren getuige en maakten deel uit van de creatieve daad. Zij kennen het goddeloos, ongelooflijk geheim. Kunnen ze dat geheim aan de tenen uitleggen? Wat moeten niercellen met die kennis? Tenen en nieren zijn prachtig en nodig, maar wat hebben zij met de creatieve cellen van doen? Stel dat zij met elkaar konden praten – wat zouden de tenen dan voor geheimen te horen krijgen, wat zouden de nieren over een unieke kennis beschikken.”

Andere uitspraken van Gurdjieff hierover zijn: “God is microbe: het systeem is hetzelfde. Het verschil ligt alleen in het aantal centra.” “De Microkosmos is het atoom of liever … de microbe.”              

“De aanwezigheid in ons van de Hogere Centra is een groter raadsel dan de verborgen schat waarnaar zij die geloven in het bestaan van het mysterieuze en het wonderbaarlijke sinds onheuglijke tijden hebben gezocht.”

En dan nu terug naar de vraag: ‘Wat is ‘Wil’?

Gurdjieff in ‘Op zoek naar het wonderbaarlijke’:

“Het is mogelijk duizend jaar lang te denken, hele bibliotheken vol te schrijven, miljoenen theorieën te ontwikkelen, en dat alles in slaap, zonder enige mogelijkheid tot ontwaken. Integendeel, deze boeken en theorieën, in slaap geschreven en ontwikkeld, wiegen alleen maar anderen ook in slaap, en zo gaat het door.” “Indien iemand kon denken dat hij sliep, zou hij ontwaken.” “Voor de meeste mensen – zelfs voor ontwikkelde en denkende mensen – is de voornaamste hinderpaal op de weg naar het verkrijgen van zelf-bewustzijn gelegen in het feit dat zij menen deze toestand te bezitten; dat wil zeggen zelf-bewustzijn te bezitten met alles wat daarmee samenhangt : individualiteit in de zin van een permanent en onveranderlijk IK, Wil en dus het vermogen tot Doen.” “Er is maar één ding dat waar is in wat u (Ouspensky) hebt gezegd, namelijk dat u bewustzijn alleen in uzelf kunt kennen. Maar let wel: ik zeg kunt kennen, want u kunt het alleen kennen wanneer u het hebt. En wanneer u het niet hebt, kunt u op het ogenblik zelfs niet weten dat u het niet hebt, maar wel later. Ik bedoel dat wanneer het terugkomt, kunt zien dat het er lange tijd niet is geweest, en u kunt u het tijdstip herinneren waarop het verdween en dat waarop het weer verscheen.”

“Vrijheid, bevrijding  – dat moet het doel zijn van de mens. Vrij worden, zich bevrijden van slavernij –daarnaar zou een mens moeten streven wanneer hij zich ook maar enigszins bewust wordt van zijn situatie. Er is geen ander uitweg voor hem want er is niets anders mogelijk zolang hij zowel innerlijk als uiterlijk slaaf blijft. Maar hij kan niet ophouden slaaf te zijn zolang hij innerlijk slaaf blijft. Daarom moet hij om vrij te worden innerlijke vrijheid veroveren. De eerste reden voor de innerlijke slavernij van de mens is zijn onwetendheid en bovenal zijn onwetendheid met betrekking tot zichzelf. Zonder zelfkennis, zonder de werking en de functies van zijn machine te begrijpen, kan de mens niet vrij zijn, kan hij zichzelf niet regeren en zal hij altijd een slaaf blijven, een speelbal van de krachten die op hem inwerken. In de oude leringen was daarom de eerste eis bij het begin van de weg: ‘Ken uzelf’.”

“U moet leren het werkelijke van het denkbeeldige te scheiden. En om ‘zelf-waarneming’ en ‘zelf-studie’ te beginnen, is het nodig dat men zichzelf in tweeën verdeelt. Een mens moet beseffen dat hij inderdaad uit twee delen bestaat. Een daarvan is de persoon die hij ‘ik’ noemt en die de anderen ‘Ouspensky’, ‘Zakharov’ of ‘Petrof’ (vul hier, en ook hierna, uw eigen naam in, in plaats van die van  Ouspensky!) noemen. De andere is de werkelijke ‘hij’, het werkelijke ‘Ik’, dat alleen af en toe in zijn leven gedurende zeer korte ogenblikken optreedt en dat pas na een heel lange periode van werken standvastig kan worden.” “In dit stadium van zelf-waarneming moet iemand begrijpen dat hij maar één doel kan hebben: zichzelf bevrijden van Ouspensky. In werkelijkheid kan hij zich echter niet van hem bevrijden omdat hijzelf ‘Ouspensky’ is; daarom moet hij ‘Ouspensky’ de baas worden en deze dwingen te doen, niet wat de ‘Ouspensky’ van het gegeven ogenblik wil, maar wat hijzelf  wil. Van meester moet ‘Ouspensky’ dienaar worden.”     

“Toch is vrije wil een realiteit, hij bestaat kort en goed. Maar wij, zoals we zijn, kunnen hem niet hebben. Alleen een echt Mens kan hem hebben. Een werkelijk vrije wil kan alleen bestaan waar de leiding komt van één enkel Ik – dat wil zeggen wanneer iemand een meester heeft voor zijn equipage.”       

“Wanneer wij over evolutie spreken, dienen wij van meet af aan te begrijpen dat er geen mechanische evolutie mogelijk is. De evolutie van de mens is de evolutie van zijn bewustzijn. En de evolutie van het bewustzijn kan zich niet onbewust voltrekken. De evolutie van de mens is de evolutie van de wil kan niet ongewild tot stand komen. De evolutie van de mens is de evolutie van zijn vermogen tot doen en doen kan niet de vrucht zijn van hetgeen gebeurt.”                                                                                                                                                            

“Alleen in het Absolute bestaan ‘Wil’, ‘Bewustzijn’ en het vermogen tot ‘Doen’ onder de vorm van ‘Drie Heilige Tegengestelde krachten’ die één zijn in het Absolute.”

3. Besluit.

Er is in dit artikel sprake van een ‘Copernicaanse revolutie’ die zou nodig zijn om ‘bewustzijn en vrije wil’ te begrijpen.

Overweeg eens het volgende: “Als we naar een stripverhaal kijken, dan zien we dat het verhaal bestaat uit afzonderlijke plaatjes die aanzienlijk van elkaar verschillen, en we weten dat het ene plaatje geen oorzaak is van het andere. Op zichzelf zijn de plaatjes betekenisloos en dood. Hetzelfde kan gezegd worden van die analoge filmrollen met hun afzonderlijke plaatjes. En toch brengt iets in ons een tekening, schilderij, foto, stripverhaal of film tot leven. We zien er diepte, betekenis en eventueel zinvolle bewegingen (m.a.w. oorzaak en gevolg) in. We lachen ermee, pinken een traan weg, zijn verontwaardigd, enz. En dat allemaal op levensloze en betekenisloze objecten. ‘Iets’ in ons projecteert dus leven in levensloze dingen en door identificatie ontstaat de illusie dat deze dingen zelf levend zijn. Overweeg  nu eens of dit ‘iets’ niet op dezelfde wijze leven projecteert op ons eigen fysieke lichaam en op andere fysieke lichamen en wezens. Het is door identificatie met ons fysieke lichaam (dat in wezen een mentale projectie is) dat we ook andere wezens als levend zien. We  kunnen dit ‘iets’ beschouwen als het ‘Absolute Zijn’ of ‘Levensbeginsel’. Dit beginsel is ook gekend onder de naam ‘Roeach’ (de adem van  God of de ‘Levensgeest’) of de ‘Derde Heilige Kracht’.           

Omdat het begrip ‘Derde Heilige Kracht’ is gevallen, kunnen we iets zeggen over de twee andere ‘Heilige Krachten’. Voor een gedetailleerde uiteenzetting over de ‘Drie Heilige Krachten’ verwijs ik naar het boek ‘Op zoek naar het wonderbaarlijke’ (voortaan afgekort tot ‘O.Z.N.H.W.’!). In deze passage haal ik een “verhelderende ‘beschrijving’” (uit ‘Scientific American’ nummer 4 - 2011) aan omdat ik er een verband in zie met de ‘Drie Heilige Krachten’ en in wat ik in de ‘vorige passage!’ heb willen duidelijk maken (door te stellen dat door identificatie met ons lichaam wij dit als levend, bewust en wilskrachtig ervaren, maar dat vanuit het ‘Absolute Levensbeginsel’ gezien dit een hardnekkige illusie is), en ook met bepaalde opmerkingen die ik in dit artikel heb vermeld. Er wordt met andere woorden via deze ‘beschrijving’ een verband gelegd tussen de esoterische leer van Gurdjieff, de Vedanta  en de kwantummechanica.

Als je wat volgt aandachtig leest, zul je waarschijnlijk zien wat ik bedoel. Deze ‘beschrijving’ berust op de recentste bevindingen in wat gezien wordt als de koningin der moderne natuurkunde, namelijk de kwantummechanica en waarvan de schrijver van ‘O.Z.N.H.W.’ (P.D. Ouspensky: 1878-1947) al aanvoelde dat deze wetenschappelijke tak zich in de juiste richting ontwikkelde.

“Bij kwantummechanica is er sprake van combinaties van verschillende klassieke toestanden (bijvoorbeeld tegelijk levend en dood / zie ‘Schrödingers kat), en die combinaties hebben de neiging uiteen te vallen. De weglekkende informatie die wij kunnen waarnemen is datgene wat de klassieke natuurkunde beschrijft: duidelijk omlijnde toestanden, zoals ofwel levend ofwel dood. Dit weglekken van informatie is de kern van een proces dat bekend staat als ‘decoherentie’.”

“Maar in veel gevallen is het mogelijk het weglekken van informatie te vertragen of stop te zetten, en dan openbaart  de kwantumwereld zich aan ons in al zijn glorie. Het kwantumeffect bij uitstek is ‘verstrengeling’, een term die Schrödinger heeft gemunt in een artikel waarin hij de wereld liet kennismaken met zijn denkbeeldige kat. Verstrengeling houd in dat afzonderlijke deeltjes zich met elkaar verbinden tot een onverbrekelijk geheel, in tegenstelling tot een klassiek systeem dat in principe altijd deelbaar is.”  

“Het blijkt nu dat er geen fundamentele scheiding bestaat tussen de kwantumwereld en de klassieke wereld. Het is alleen een kwestie van vindingrijkheid om de juiste experimenten te bedenken.”

“Het feit dat de kwantummechanica geldt op iedere schaal, betekent dat we genoodzaakt zijn de diepste mysteries van de theorie onder ogen te zien. Om een voorbeeld te noemen: in de klassieke natuurkunde zijn ruimte en tijd twee van de meest fundamentele concepten, maar in de kwantum-theorie zijn ze secundair. Primair zijn de verstrengelingen.  Zij verbinden kwantumsystemen met elkaar zonder zich iets aan te trekken van ruimte en tijd. Nu blijkt er dus helemaal geen klassieke wereld te bestaan en moeten we dus op de een of andere manier ruimte en tijd verklaren als verschijnselen die op de een of andere manier ontstaan uit fysische processen die in laatste instantie ruimte- en tijdloos zijn.”

“Dit inzicht kan op zijn beurt weer helpen de kwantummechanica te verzoenen met die andere machtige steunpilaar van de moderne natuurkunde: de algemene relativiteitstheorie van Einstein, die de zwaartekracht beschrijft in termen van de geometrie van ruimte en tijd en waarin objecten een duidelijk omlijnde positie innemen en zich nooit op meer dan een plaats tegelijk kunnen bevinden –  wat in regelrechte tegenspraak is met de kwantumfysica. Verscheidene natuurkundigen, onder wie Stephen Hawking, denken dat de relativiteitstheorie plaats zal moeten maken voor een fundamentelere theorie waarin ruimte en tijd niet bestaan. De klassieke ruimtetijd ontstaat uit kwantumverstrengelingen, via het proces van decoherentie.

“Een nog intrigerender mogelijkheid is dat de zwaartekracht eigenlijk geen autonome kracht is, maar een soort ‘ruis’ die is overgebleven als gevolg van de kwantumfluctuaties van de andere krachten in het universum.            Als deze hypothese waar zou zijn, zou de zwaartekracht niet alleen zijn status van fundamentele kracht verliezen, maar het zou betekenen dat pogingen om de  zwaartekracht te ‘kwantificeren’ zinloos zijn. Op het kwantumniveau bestaat er misschien helemaal geen zwaartekracht.”                         

“De implicaties van de gedachte dat macroscopische objecten zoals wijzelf zich in ambigue kwantumtoestanden kunnen bevinden, zijn zo hallucinant dat wij natuurkundigen nog steeds in een verstrengelende staat van verwarring en verbazing bevinden.”

NB: Het is deze staat die naar mijn gevoel en weten kan gezien worden als de voorbode van wat ik onder punt 3. Besluit (blz. 15) de ‘Copernicaanse revolutie’ heb genoemd. Door het wegvallen van de zwaartekracht als fundamentele kracht, houdt ook de huidige wetenschap maar drie fundamentele krachten meer over. Hierdoor kan ‘zwaartekracht’ gezien worden als een verschijnsel dat niet thuishoort in wat Gurdjieff omschrijft als ‘Wereld 1’ en ‘Wereld 3’  in de scheppingstraal. Er moet wel rekening mee gehouden worden dat Gurdjieff ( ≈ 100 jaar geleden!) zei dat de wetenschap de materie bestudeerde zonder haar kosmische en psychische eigenschappen (m.a.w. zonder zonder kennis van de hogere lichamen en hogere centra), en dat op aarde (Wereld 48) een atoom bestaat uit 48 atomen van het Absolute ('3 van Wereld 3' + '6 van Wereld 6' + '12 van Wereld 12' + '24 van Wereld 24'  + '3 van Zichzelf' = 48), en dat alleen een atoom van het Absolute werkelijk ondeelbaar is. Het begrip ‘decoherentie’ kun je in het licht van de ‘Gurdjieff-leer’ beschouwen als een ‘dalend octaaf’, en ‘verstrengeling’ als het ‘Absolute’.Het ‘stopzetten van het weglekken van informatie’ kun je zien als een ‘stijgend octaaf’. ‘Dat objecten (materie) geen duidelijk vastomlijnde positie kunnen innemen en zich op meer dan één plaats kunnen bevinden’, wordt eveneens door Gurdjieff op zijn eigen wijze verwoord als hij het heeft over ‘de materialiteit van het heelal beschouwd in de vorm van een scheppingsstraal’. ‘De staat’ om werkelijk te begrijpen  (en wat Gurdjieff “de ‘resultante’ van ‘weten’ en ‘zijn’ noemt”) en waardoor de ‘staat van verwarring’ kan worden opgeheven, is de toestand van wat Gurdjieff  ‘Zelf-herinnering’ noemt en de Vedanta het ‘Ware Zelf’ of het ‘Absolute Zijn’. Voor alles wat in deze passage over de leer van Gurdjieff is gezegd, kan de werkelijk geïnteresseerde lezer zich wenden tot het boek ‘Op zoek naar het wonderbaarlijke’.

Maar Iemand die echt wil ‘Begrijpen’ waar het in dit ‘Blog-artikel’ over gaat en die zich door de leer van Gurdjieff (op schitterend wijze verwoord in ‘Op zoek naar het wonderbaarlijke’) voelt aange-sproken, kan ik aanraden om les in deze materie te volgen in de DIMschool bij Angelus die leraar is en stichter van deze site (samen met Eaglan) en waarin dit artikel in ‘Blog’ is geplaatst.



Gepost door eagle op vrijdag 6 april 2012 0 reactie(s)


Bewustzijn, hersenen en vrije wil

Bewustzijn, hersenen en vrije wil. (De cursieve teksten, eventueel voorafgegaan door ‘NB:zijn persoonlijke opmerkingen of aanvullingen. Als de aanvullingen niet van mij zijn, dan gaan ze vooraf door de naam van de persoon van wie deze uitspraken afkomstig zijn.

1. Het hete hangijzer dat al zoveel twiststof heeft opgeleverd, namelijk ‘vrije wil’. Bestaat deze of niet? (NB: ‘Vrije wil’ en ‘bewustzijn’ zijn naar mijn inzicht niet van elkaar te scheiden omdat ‘bewust-zijn’ vrij is doordat het losstaat van ‘alles dat gebeurt’. Daarom maakt het niets uit dat ik begin met ‘vrije wil’ i.p.v. haar drager ‘het bewustzijn’.)

Is vrije wil een illusie? Zoiets als de hardnekkige illusie dat de zon rond de aarde draait ? En als er geen vrije wil is, is er dan wel een ‘zelf ‘ nodig, als alle gedrag alleen maar het resultaat zou blijken te zijn van de hersenen waarmee je ‘toevallig’ bent geboren en een omgeving waarin ze moeten werken en die al even ‘toevallig’ is? Hoe aantoonbaar juist dit ook volgens het huidig neurobiologisch onderzoek mag zijn, iedere neurobioloog gedraagt zich buiten deze wetenschappelijke conclusies (zowel binnen als buiten zijn laboratorium m.b.t. tot zijn naasten) als iemand die vrije wil heeft, net als de andere mensen. In feite gedraagt hij zich dus nog steeds als iemand die gelooft dat de zon rond de aarde draait of in de geest van Gurdjieff als iemand die denkt dat de meridiaan dwars door zijn reet loopt. En, als de hersenen ons gedrag bepalen, hersenen waarmee we toevallig zijn geboren ‘buiten onze wil om’, kan de wetgever ons dan nog verantwoordelijk stellen voor ons gedrag? (NB: Merk op dat de woorden ‘buiten mijn wil om’ paradoxaal aandoen met de woorden die eraan voorafgaan!) Deze vraag is misschien niet zo (juridisch) revolutionair als sommige mensen denken (zie blz.11 bij ‘Haggard en Suckvinder’), vermits de wetgever kan aanvoeren dat het de bedoeling van juist functionerende hersenen is om foutief functionerende hersenen aan banden te leggen, net zoals men een door rabiës op hol geslagen hond niet vrij laat rondlopen. M.a.w. we zijn (ook) onze hersenen of alle juridische aansprakelijkheid vervalt. Alleen zetten we het voornaamwoord ‘we’ voorlopig tussen haakjes.  

De eerste aanzet (de Oosterse esoterische leer van het Boeddhisme en de Vedanta buiten beschouwing gelaten) om te twijfelen aan de vrije wil, ligt bij René Descartes (1596-1640) wiens filosofie in feite aan de basis licht van het huidige wetenschappelijk materialisme. Immanuel Kant 1724-1804) gaf met zijn filosofie (waarschijnlijk ongewild) in feite de doodsteek aan ‘vrije wil’.

De schrijver Colin Wilson schrijft hierover het volgende: “De Duitse filosoof J.G. Fichte (1762-1814) beschrijft hoe hij aan depressie ten prooi viel na het lezen van Kant. Hij wist aan het dilemma over onze onwetendheid  - die uit Kant’s filosofie voortvloeit - te ontsnappen door te stellen dat de mens zichzelf wel degelijk leert kennen als hij tot de actie overgaat. De dichter Kleist wankelde op de rand van krankzinnigheid als resultaat van de werken van Kant, en pleegde uiteindelijk zelfmoord. De filosoof Willam James (1842-1910) raakte uitermate depressief door de filosofie van Kant en wist zich van de uitputting te redden door diepgaand na te denken over de door C.B. Renouvier (1818-1903 opgestelde definitie van vrije wil: ‘Wij hebben de gave om een gedachte al dan niet verder te ontwikkelen. Een zielloze machine heeft dat niet.’

Rudolf Steiner (1861-1925) verwoorde dit laatste op de volgende manier: “De opvatting dat de wereld der gedachten schemerachtig en onwerkelijk is, vergeleken met de zintuiglijke ervaringen ziet voorbij aan het feit dat ‘waarnemen’ op zich het leegste begrip is dat men zich denken kan, een begrip dat zijn hele inhoud alleen aan het denken kan ontlenen... Als iemand met een rijk innerlijk leven duizend dingen ziet die voor de armen van geest niets te betekenen hebben, is het toch zonneklaar dat de inhoud van de werkelijkheid niets anders is dan de weerspiegeling van de werkelijkheid van onze geest en dat we van buitenaf niets anders krijgen aangereikt dan een lege vorm, mits men beschikt over het geestelijk vermogen om zichzelf te herkennen als de schepper van deze inhoud. Als die kracht ontbreekt, zullen we altijd alleen de reflectie blijven zien en nooit onze geest die zich daarin weerspiegelt. Wie zichzelf in een spiegel bekijkt, moet zichzelf als persoonlijkheid kennen om zichzelf in het weerkaatste beeld te kunnen herkennen.”

“De mens is het middelpunt van de wereldorde...  De dingen bestaan slechts voor zover de mens er zijn licht op doet vallen. De mens bezit in zichzelf de oorsprong van zijn eigen bestaan. Dat maakt hem tot een wezen dat zichzelf genoeg is... De uitwendige wereld is op zichzelf nog goed nog slecht; de mens maakt uit of de wereld goed of slecht zal zijn.”  

Gurdjieff  (± 1872-1949) verwoord dit volgens mij op de volgende wijze: “De kwaliteit van impressies die de mens kan opnemen zijn niet onderworpen aan enige kosmische wet.”    

Het gevoel van vrijheid is dus heel belangrijk voor mens (en dier). Als dit ondermijnd wordt verliest de mens (en ook het dier) zijn levenszin. Het was ook R. Steiner die met zijn filosofisch hoofdwerk ‘De filosofie van de vrijheid’ tegengewicht trachtte te bieden aan wat de filosofie van Kant had teweeggebracht in filosofische kringen. In zijn boek ‘Goethes wereldbeschouwing’ diept hij bepaalde punten van zijn filosofie verder uit. Op blz. 60 tot 68 van ‘Filosofie van de vrijheid’ (Nederlandstalige uitgave van 1998) gaat Steiner uitvoerig in op de veronderstelde werking van de hersenen in relatie tot het Neo Kantiaanse wereldbeeld. Op blz. 88-89, 122 tot 124 en 211 tot 214 vinden we enkele belangrijke uitspraken i.v.m. moeilijke filosofische problemen en deze woorden bieden een verfrissende kijk op het verschijnsel ‘Mens’. In zijn boek ‘Goethes wereldbeschouwing’  gaat hij verder in op het verschijnsel ‘Mens’ en op blz. 57, 67, 72, 96 tot 99 en 128 tot 142 vinden we hierover originele uitspraken die o.a. in verband staan met wat na Steiner in 1953 het Miller-Urey Experiment werd genoemd en het op fenomeen licht en kleur in relatie tot de Newtoniaanse (materialistische) en Goetheaanse visie (en die van Steiner) hier op en het verband met zintuigen en hersenen zoals Steiner al had benadert in blz. 60 tot 68 van zijn ‘Filosofie van de vrijheid’.

NB: Ik vermeld deze boeken en bladzijden omdat het weergeven van deze teksten dit artikel onnodig lang zouden maken. De werkelijk geïnterneerde lezer zal wel zorgen dat hij op de een of andere wijze aan deze informatie geraakt. De fout die volgens Steiner in het Kantiaanse en Neo-Kantiaanse wereldbeeld met betrekking tot de werking van de zintuigen en de hersenen schuilt, wil ik hier wel bondig met eigen woorden weergeven:

“Als de zintuigen elke uitwendige beweging (van welke aard ook) die hen prikkelt altijd omzetten in die zintuiglijke kwaliteit waarvoor het zintuig bestemd is, en je weet dat de hierdoor in de hersenen   opgewekte zintuigenergieën worden omgezet in diverse elektrische impulsen en de afgifte van al even diverse chemische neurotransmitters, al naargelang in welk segment van de hersenen ze dienst moeten doen, dan moet de voorstelling die hersenen produceren sterk verschillen van de werkelijk-heid waarvan deze uitwendige prikkels vandaan komen. M.a.w. de werkelijkheid is voor altijd onbereikbaar voor ons.”

De eerste fout die hier gemaakt wordt, is dat men de zintuigen, de hersenen en hun onderlinge werkzaamheid als reëel beschouwd. Maar als je consequent vasthoud aan het gegeven dat onze directe zintuiglijke waarneming een voorstelling is, dan moet je ook de zintuigen,  de hersenen en hun vermeende werkzaamheid als een voorstelling beschouwen want de waarneming hiervan is ook door de filter van de zintuigen en de hersenen gegaan. Je wereldbeeld berust dan uiteraard op de voorstel-ling van een voorstelling en hierdoor neem je iedere mogelijkheid weg om ook maar iets over de werkelijkheid te kunnen zeggen dat niet aan twijfel onderhevig is. [NB: Dit roept het beeld op van ‘noch dit, noch dat’ (Neti Neti) uit de Advaita Vedanta en waarvan het boek ‘Ik Ben/Zijn’ (dat is gebaseerd op gesprekken met Nisargadatta Maharaj) de eenvoudigste en directste uitdrukking is. Voor een meer complexere uiteenzetting van deze leer verwijs ik naar het boek ‘Het wezen van de mens volgens de Vedanta’ van John Levy.]  In dergelijke wereldbeeld is het natuurlijk niet erg zinvol om uitspraken over ‘vrije wil’ te doen.

Maar het feit dat de werking van mijn ogen, oren en hersenen op een heel andere hoedanigheid en constructie (cellen, neurotransmiters, DNA, enz.berusten dan bijvoorbeeld een Tv en wat daarmee samenhangt, verhindert niet dat het beeld dat ik zie op het scherm heel goed overeenstemt met wat ik in werkelijkheid zou zien als ik daar persoonlijk zou aanwezig zijn.

Moeten we ons dan niet ernstig afvragen of de hersenen wel degelijk de werkelijkheid scheppen - óf - dat de hersenen niet anders kunnen dan in overeenstemming zijn met een werkelijkheid (het Absolute Zijn) die een ongekend en oneindig potentieel bezit waarvan de zintuigen en hersenen  (en ieder object van ervaring - dus ook gevoelens, gewaarwordingen en gedachten) een momentane mani-festatie zijn, en een begripsuitdrukking als er aan wordt gedacht?!          

“De tweede fout is dat men niet beseft dat onze gewaarwordingen op zich niet bestaan uit losse elementen (prikkels), maar uit een soort gestalt. Het praten over losse prikkels is geen rechtstreekse gewaarwording en verklaart de gestalt op zich niet en zijn niet meer dan een extra dat toegevoegd wordt aan de waarneming, maar geen verklaring ervoor. M.a.w. men gaat gewoon over van de ene waarneming naar de andere en verondersteld verkeerdelijk dat de ene de andere heeft veroorzaakt. Een altijd samengaan van twee of meerdere factoren betekent niet dat de ene de andere veroorzaakt. Op een rijdende fiets tref je altijd een fietser aan, maar de fietser veroorzaakt niet de fiets. De moleculen waaruit een baksteen is opgebouwd, noch de baksteen noch de atomen, verklaren de vorm (gestalt) of zijn de oorzaak van het huis dat uit baksteen is opgebouwd.

Deze twee fouten vind je praktisch terug in ieder neurologisch onderzoek. Men vergeet zo gemakkelijk dat gedrag niet altijd de oorzaak is van een bepaalde hersenstructuur en daaraan wel of niet gelinkt neurotransmitters, maar dat hersenstructuren en neurotransmitters ook het gevolg kunnen zijn van aangeleerd en nagebootst uitwendig gedrag. Neurotransmitters zijn geen elementen (signaalstof) die ergens in een zakje liggen opgeslagen. Ze worden aangemaakt en deze aanmaak berust op een complexe wisselwerking tussen in- en uitwendige factoren met m.b.t. de cel en haar directe en indirecte omgeving. De takken van een boom groeien niet enkel door het inwendig DNA-bouwplan van het zaad, maar zijn waarschijnlijk ook afhankelijk van de juiste uitwendige  factoren zoals de voedingsbodem en het klimaat. Op blz. 6 onder ‘Oliver Sacks’ en op blz. 10 onder ‘Haggard’ vind je bondig samengevat wat ik als ‘tweede fout’ heb bestempeld. Laat ons daarom  deze ‘fouten’ en wat in bovenstaand kader is gezegd niet uit het oog verliezen bij het verder tot ons nemen van de neurologische bevindingen van diverse wetenschappers. Op blz. 13 vinden we een beschrijving van het syndroom BIID. Hierin vind je ook steun voor wat ik zie als antwoord op de ‘tweede fout’.   

* In onze huidige tijd lijkt het erop alsof de hersenwetenschap definitief de doodsteek heeft gegeven aan het verschijnsel vrijheid. Laat ons eerst eens naar een aantal intelligente hooggeschoolde voor en tegenstanders (uit de 20ste en 21ste eeuw) van de ‘vrije wil’ kijken alvorens ‘zekere’ conclusies te trekken.     

Ramachandran , hoogleraar filosofie en neurowetenschappen en directeur voor het ‘Center for Brain and Cognition’ (en iemand die heel helder en intelligent over moeilijke onderwerpen kan schrijven) schrijft hierover in zijn boek ‘Het Bewustzijn’ (2003) het volgende:         

“Een proef in verband met vrije wil, enkele decennia geleden uigevoerd door de Amerikaanse neurochirurg Benjamin Libet en de Duitse fysioloog Hans Kornhuber, zou onomstotelijk hebben aangetoond dat vrije wil een illusie is. Een persoon werd de opdracht gegeven om binnen de 10 minuten op het moment van zijn keuze een vinger heen en weer te bewegen. Driekwart seconde vòòr de vinger-beweging plaatsvond, pikten de onderzoekers een EEG-potentiaal op, ook al viel de ervaring van de proefpersoon dat hij de handeling wilde vrijwel samen met het begin van de vingerbeweging. Hoe kan dus de wil oorzaak zijn als het hersencommando bijna een seconde eerder is? Dit is op zichzelf al merkwaardig, maar wat gebeurt er als we het experiment een iets andere wending geven? Stel dat ik uw EEG meet terwijl u een vinger beweegt. Net als Libet en Kornhuber zie ik een seconde voordat u dat doet een ‘voorbereidingsignaal’. Maar ik toon nu het signaal op een scherm voor u, zodat u uw eigen ‘vrije wil’ kunt zién. Telkens wanneer u op het punt staat uw vinger te bewegen, zogenaamd met uw vrije wil, verteld het apparaat  u dat een seconde van tevoren. Wat ervaart u nu? In deze faze is dit nog een ‘gedachte-experiment’, omdat het technisch moeilijk is bij elke proef betrouwbare EEG-feedback te verkrijgen, maar we zijn bezig dit obstakel te omzeilen. Maar wat zou de evolutionaire betekenis zijn van het gegeven dat het hersengebeuren een seconde eerder plaatsvindt dan de feitelijke vingerbeweging, ook al komt de bewuste intentie om de vinger te bewegen vrijwel exact overeen met de beweging zelf? Met andere woorden: als de subjectieve gewaarwording van ‘willen’ een schaduw is (een ‘epifenomeen’ of ‘qualia’) die ons overal vergezelt tijdens het lopen, maar niet het lopen zelf veroorzaakt – waarom zou de evolutie dan het signaal vertragen zodat het samenvalt met onze bewegingen? We zitten dus met een paradox: enerzijds laat het experiment zien dat vrije wil een illusie is: vrije wil kan niet de hersengebeurtenis veroorzaken, omdat die een seconde eerder beginnen. Daar staat tegenover dat de vertraging de een of andere functie moet hebben; waarom zou de vertraging anders ontstaan zijn? Maar als die inderdaad een functie heeft, wat kan het dan anders zijn dan (in dit geval) de vinger bewegen? Misschien moeten we ons hele idee over causaliteit grondig herzien… zoals in kwantummechanica gebeurd is.” 

NB: Dit is toch alleen maar te verklaren als je de persoonlijkheid ziet als een helper van de essentie  en niet als de baas. * Als ik mij niet vergis, is het dit wat Ramachandran (zie blz. 8) aanduid met ‘metarepresentatie’ en vergelijkt met de ‘homunculus’.

* Dit begrijpen is essentieel en wordt na verder lezen ( misschien) duidelijker (net als de andere persoonlijke en niet persoonlijke passages), zeker als we de leer van Gurdjieff uitgebreider aan bod laten komen. Voor meer informatie over de leer van Gurdjieff m.b.t. tot dit onderwerp raad ik de boeken ‘Op zoek naar het wonderbaarlijke’ (O.Z.N.H.W.) en ‘Gurdjieff tot zijn leerlingen’ aan. Het is verbazingwekkend wat Gurdjieff wist over de werking van de hersenen,temeer omdat hij zijn kennis uit meer ‘zijn’ moest halen (100 jaar geleden was er nog geen hoogtechnologische scanapparatuur om de werking van de hersenen te bestuderen!).  

Als intenties illusionaire nep-wilsacten zouden zijn, dan reist de vraag op welke basis de hersenen zelf besluiten om de vinger te bewegen. Met andere woorden: wie of wat in de hersenen beslist binnen de tijdspanne van 10 min. om op een ‘zelf (?)-gekozen’ moment de vinger te bewegen? Zou het niet kunnen dat onze persoonlijkheid een middel is om de hersenen niet direct maar indirect te beïnvloeden, zodanig dat in de intentie die met het EEG-signaal rechtreeks is verbonden reeds eerdere persoonlijke intenties zijn verwerkt? Je kunt het ook vergelijken met leren fietsen of praten. Dat kost veel tijd en inspanning, maar eens het verworven is voert het zijn taak direct uit. Maar toch zullen wij nog steeds zeggen dat ‘ik fiets’ en ‘ik praat’. En wij (of onze hersenen) kunnen alvorens een handeling te verrichten in gedachten terugkijken naar wat er allemaal nodig is alvorens tot de daad over te gaan. Dus ook hier zit in de actie zelf reeds het verleden bevat. Het is dus noodzakelijk, al was het maar om tijd te scheppen voor nieuwe dingen, dat oude aangeleerde dingen kunnen worden samengevat in een soort compacte instinctieve gewaarwordingreacties of associaties die dan volledig autonoom functioneren. Dit is dus niet noodzakelijk een beperking of weerlegging van onze vrije wil, maar een noodzakelijke functie om vrij te kunnen zijn en blijven. Het is dus duidelijk dat ‘intentie’ een ingewikkeld begrip is dat zich niet zo gemakkelijk laat duiden en in vakjes plaatsen. (NB: Met het begrip ‘brein’ bedoel ik niet noodzakelijk de zichtbare hersenen en hun functies zoals ze door de wetenschap worden gezien en bestudeerd. Het begrip is omvattender en kan ook gezien worden als een gestalt of wat men in het Engels de ‘mind’ noemt.)     

Als het de hersenen zelf zijn die hun eigen werkzaamheid bij het ontwaken van het denken met het begrip ‘ik’ aanduiden, dan kun je in feite niet zeggen dat iemands persoonlijkheid  (Julien in mijn geval / gebruik hier uw eigen naam!) direct kan ingrijpen. Het zijn dan de hersenen van de betrokken persoon die van ‘toevallige’ gelegenheden’ via de persoonlijkheid gebruik maken (als een soort feedbacksysteem) om hun essentie te dienen. Met andere woorden: ‘De persoonlijkheid is de dienaar van het brein.’ Maar natuurlijk, als het brein met ongezonde of verwarrende voeding (aangereikt uit de wereld van andere persoonlijkheden in de buitenwereld) wordt geconfronteerd en als dit niet spoort met haar essentie dan kan ditzelfde brein zich ook slachtoffer voelen en verward. Het brein kan ook dingen leren en ervan houden die het op vroegere leeftijden niet bevielen. Het is heel waarschijn-lijk zo dat het brein vele verschillende zaden (essenties) bevat die afhankelijk van de uiterlijke situatie zich in quarantaine bevinden of tot bloei kunnen komen. De gelegenheid maakt de vrucht.  

In de 10 minuten tijd die de proefpersonen ter beschikking hadden, moeten er vele momenten zijn geweest dat de betrokken persoon de intentie om zijn vinger te bewegen moest onderdrukken, want zoals iedereen uit ervaring weet, is het onmogelijk om niet aan een roze olifant te denken als men je de opdracht geeft hier niet aan te denken. Waarom vernemen we dan niets over hersensignalen die zo geïnterpreteerd kunnen worden (en eventueel vooruitlopen) dat ze slaan op het verschijnen en onderdrukken van allerlei willekeurig opkomende gedachten waaraan door de proefpersoon geen gehoor wordt gegeven en waaronder zich meer dan eens de niet tot handeling gekomen gedachte en intentie kan bevinden om nu nog niet te de vinger te bewegen? M.a.w. wat stelt dit zogenaamde ‘vooruitlopende hersensignaal’ werkelijk voor? Is het misschien de vrijkomen energie na het opheffen van de onderdrukte en dus niet geuite gedachten om de vinger nog niet te bewegen (het persoonlijke proces als dienaar van de essentie)?  Bij hersenscans vernemen we regelmatig dat sommige gebieden niet actief zijn. Dat wordt afgeleid van het beeldscherm dat de werking van de hersenen in kaart brengt. Nu is het logisch onmogelijk dat hersenen of bepaalde hersengebieden niet actief zijn. Zelfs het inactieve lichaam van een slapende mens zit vol actieve impulsen die onderdrukt worden (behalve gedeeltelijk bij slaapwandelen). Geen geregistreerde hersenactiviteit in dat hersengebied wil dus nog niet zeggen dat dat gebied niet actief is, maar dat bepaalde outputsignalen worden onderdrukt en dus niet worden geregistreerd. (NB: De spanning van de onderdrukte watermassa bij een stuwdam uit zich ook niet voor, maar achter de stuwdam. Anders gesteld: ‘De’ object-ieve’ ervaring zou wel eens de uiting kunnen zijn van de innerlijke weerstand van de hersenprocessen. Maar ‘objectiviteit’ op zich kun je niet meten omdat ‘objectiviteit’ de meting zelf is. Ik Ben Dat!) Ook kan het zijn dat de appa-ratuur niet gevoelig genoeg is. In termen van Gurdjieff kun je zeggen dat de verbindingen tussen de verschillende centra en hun onderdelen zijn verbroken of dat er geen voortgaande trillingsactiviteit in de verbindingen tussen de centra is, maar wel in centra zelf. [NB: De vraag die kan opkomen, is waarom deze verbindingen gedeeltelijk en zelfs volledig (zoals tijdens de droomloze slaap) inactief worden gemaakt.]     

Dat er eerst iets moet zijn alvorens er geoordeeld kan worden, geldt zelfs voor God. In Genesis 1 kunnen we lezen hoe ook God maar eerst kon zien dat het goed was, nà dat het was geschapen! En dat God een goede dienaar nodig heeft (een juiste persoonlijkheid) kunnen we lezen in Job 42:7: “Na zijn woorden tot Job richtte Jahwe zich tot Elifaz uit Teman: ‘Zeer ontstemd ben Ik over u en uw beide vrienden, want gij hebt  van Mij niet zo’n zuiver beeld gegeven als mijn dienaar Job.”

Arie Bos, Amsterdamse antroposofische arts en docent in wetenschapsfilosofie, haalt in zijn schitterend en veelzijdig boek ‘Hoe de stof de geest kreeg’ (2008) de volgende neurologische gegevens aan over dit onderwerp:

“De neurochirurg W. Gray Walter liet patiënten naar dia’s kijken terwijl er elektroden direct op de motorische cortex waren aangesloten omdat de schedel openlag voor een operatie. De patiënten konden naar believen, als vrije beslissing, op een knop drukken als ze de volgende dia wilden zien. Wat ze niet wisten was dat deze knop loos was, maar dat de projector reageerde op een elektrisch signaal in de aangebrachte elektroden. Tot hun verbazing liep de projector vooruit op hun beslissing. Niet alleen voordat ze de knop aanraakten, maar net voor ze besloten op de knop te drukken, verscheen de volgende dia reeds. Ze waren zelfs bang dat de druk op de knop hen een dia deed overslaan.”

“Twintig jaar later vond een bijna even beroemd experiment plaats. Benjamin Libet liet proefpersonen naar een klok kijken die met constante snelheid ronddraaide. Zij moesten door het onthouden van een punt op deze klok het exacte tijdstip aangeven waarop zij hadden besloten dat zij hun hand zouden optillen. Van de bereidheidspotentiaal was al bekend dat deze 500 milliseconden optreedt vóór de handeling. Het bleek dat het bewuste besluit slechts 200 milliseconden voor de beweging optrad, dus 300 milliseconden na het bereidheidspotentiaal. De hersenen bereiden de beweging dus al voor, voordat de proefpersonen zich bewust waren van de eigen wil dit te doen. Toch verwerpt Libet de vrije wil niet. Er bestaat volgens hem in deze milliseconden nog genoeg ruimte  om te besluiten de hand niet te bewegen.”

Oliver Sacks, de beroemde neuroloog bekend van zijn boeken en de film ‘Awakenings’ schrijft het volgende: “Wij zien beweging weliswaar als vloeiend, als continu, maar dat de neurale grondslag in onze hersenen daarvoor wordt gelegd in ‘series of static snapshots’, stilstaande beelden, net als van de film. Het heeft te maken met de tijd die nodig is voor neuronen om te ‘vuren’. Beelden die te kort bestaan om voldoende neuronen na elkaar te laten vuren, bereiken het bewustzijn niet. Wat wel bewust wordt, wordt steeds onderbroken omdat de neuronen nu eenmaal hersteltijd nodig hebben. Alleen ‘zien’ wij die onderbreking niet. Dat zou, zo valt mij nu in, betekenen dat de Griekse wijsgeer Zeno in neurofysiologische zin gelijk had met een van zijn stellingen: ‘Een vliegende pijl is op ieder denkbaar ondeelbaar ogenblik in rust. Beweging bestaat niet. Op alle denkbare ogenblikken is dit het geval, de pijl is dus steeds in rust. Beweging bestaat niet.”

Arie Bos zegt over dit alles het volgende: “Als onze hersenen alles zo keurig voor elkaar hebben, waarom hebben wij dan nog bewustzijn nodig? Eigenlijk, zo was de opvatting die werd verdedigd, doet het bewustzijn niets anders dan achteraf rationaliseren van onbewust gedrag.”

Dan verteld Arie Bos ons de volgende anekdote: “Het was op een voordracht over sublimale invloeden. Volgens de spreker was bekend dat de firma Coca Cola ooit reclame in films onderbracht met het zinnetje ‘Drink Coca Cola’. Maar dat werd niet bewust waargenomen omdat de plaatjes met deze tekst telkens korter dan 1/20e sec. werden geprojecteerd. Er zou onderzoek gedaan zijn naar het effect. Het bleek dat in de pauze door het publiek significant meer coke werd gedronken. Dit was het ultieme bewijs: wij denken maar dat we bewust beslissen. Maar dat is niet zo, onze hersenen doen dat buiten het bewustzijn om. Op mijn vraag uit de zaal of de spreker het ermee eens was dat de rechter deze praktijk had verboden, beaamde deze dat met volle overtuiging. Hoe een favoriet idee je denken in de weg kan zitten bleek uit het feit dat het hem (in tegenstelling tot de zaal) niet was duidelijk te maken dat hij hiermee juist het belang van bewustzijn onderstreepte. Bewustzijn doet meer dan achteraf rationaliseren. Het is immers duidelijk: zonder bewustzijn hadden wij geen weerwoord. Zonder bewustzijn geen vrijheid.”

“Overigens (schrijft Arie Bos) lijkt de hele conclusie dat het bewustzijn achter de bereidheids-potentiaal aanhobbelt, weer op de helling te staan sinds men aapjes zover heeft gekregen dat zij met hun gedachten een cursor op het computerscherm kunnen laten bewegen naar een doel. De aapjes werden eerst getraind om met een joystick een cursor op het computerscherm te laten bewegen. De onderzoekers verbonden daarna de motorische schors (dus binnen de schedel) van de aapjes via elektroden met een computer en zetten de joystick onbeweeglijk vast. De aapjes probeerden, omdat zij er een beloning voor kregen, toch de cursor te bewegen. De joystick bleef bewegingsloos, maar de cursor bewoog wel. Al snel lukte het apen om met hun gedachten de cursor te sturen en zo hun beloning te verdienen.”

“Richard Andersen van het California Institute of Technologie’ ging nog een andere weg. Hij verbond de neuronen van de pariëtale hersenschors (dat ligt boven de oren) van de drie aapjes via elektroden met een computer. Daarbij bleek het kiezen voor een bepaalde handeling ook zichtbaar te maken is. Het is het verschil tussen denken: “Ik wil mijn hand naar rechts bewegen” (waar een glas water staat) en “Ik wil het glas water pakken”, zo zegt Andersen. Aanvankelijk moesten de aapjes een oplichtende plek op het computerscherm aanraken. Toen ze merkten dat ze de cursor hetzelfde werk konden laten doen zonder dat ze iets met hun handen deden, stopten ze met aanraken en deden ze het verder ‘in de geest’. De onderzoekers veranderden toen de taak door het kiezen voor verschillende beloningen erin te betrekken en men ontdekte dat het patroon van de neurale signalen verschilde bij verschillende keuzen. Dat lukte door de apen alleen te belonen wanneer ze niet meteen aan de handeling begonnen maar eerst wachten op een bevelsignaal. Het neurale gebiedje dat dan ging vuren (dat elektrische prikkels voortbracht) bleek steeds in verband gebracht te kunnen worden met de keuze die ze later zouden doen. Al snel konden de onderzoekers voorspellen welke handeling de apen zouden kiezen. Dat maakt duidelijk dat, hoewel we het de aapjes niet kunnen vragen, in dit geval de bewuste intentie vooraf gaat aan de handeling in deze experimenten.” (NB: Dit komt aardig in de buurt van wat ik eerder heb beweerd!)

“Zochten Grey Walter en Libet de representatie van de intentie in het verkeerde stukje herenschors en is de conclusie dat bewustzijn een onbelangrijk bijproduct is van de hersenen te snel genomen? Of zou alleen het gedwongen wachten van de aapjes hier het verschil uitmaken? Het lijkt in ieder geval niet verstandig de pariëtale hersenschors te gebruiken om een robotarm zijn opdrachten te geven. Stel dat je je baas een ‘robot- hand’ wilt geven en tegelijkertijd denkt: ‘Ik zou hem een klap in het gezicht willen geven’, dan heb je kans dat het laatste gebeurt. We onderdrukken veel handelingen, en daar ligt onze mogelijkheid om verantwoordelijk te handelen. Een tussenstap (bij het onderzoek naar slimme prothesen enz. die moeten werken op basis van elektrische impulsen die de hersenen produceren) vormen de proeven waarbij proefpersonen hun EEG zo moesten zien te beïnvloeden dat een cursor op een scherm ging bewegen en wel in de richting die zij wilden. Na lang trainen met gebruikmaking van neurofeedback lukte het de cursor inderdaad naar rechts te laten bewegen. De proefpersonen moesten daarvoor hun hersenen dus zo laten werken dat zij het EEG konden beïnvloeden. Dat zou moeten betekenen dat de proefpersonen hun hersenen bevelen en niet andersom, zoals het materialisme wil.”

“De impuls die de robotarm doet bewegen komt van een aantal vurende neuronen. Wat zet een neuron echter aan de gang? Wat is de oorzaak van het feit dat de ionenkanalen in de celwand opeens natrium binnenlaten, zodat er zich een actiepotentiaal langs het neuron beweegt? Het antwoord is de actiepotentiaal van een ander neuron, of anders de neurotransmitters afkomstig van een ander vurend neuron. Wat is nu de uiteindelijke oorzaak van de opeenvolgende verschijnselen? We komen in een vicieuze cirkel terecht. De veronderstelling dat de hersenen dit op eigen gezag doen is erg onbevredigend.  Want waar besluit dit autonome brein dat het de een keer niet meedoet, zodat niet deze maar hoogstens andere neuronen gaan vuren? Moet je niet veronderstellen dat de (weliswaar getrainde) wil van de aapjes aan dit alles voorafgaat? Wil is geen neurobiologisch begrip, er is ook geen hersenregio die de wil representeert. Heeft hier de wil dan niet invloed op de veranderingen in het EEG en dus in de hersenprocessen? Is dit nu werkelijk in strijd met de wet van behoud van energie? Radiogolven leveren ook de energie niet om de luidsprekers te doen trillen. Die energie komt uit het stopcontact. De radiogolven leveren slechts de informatie. We kunnen met de aanraking van een touchscreen een raket naar de maan sturen. Maar de wijzende vinger zorgt niet voor de energie. Dat zou ook het geval kunnen zijn bij de geest. Niet de geest doet de neuronen vuren, dat doet de energie die door de mitochondriën in de neuronen wordt geproduceerd. De geest gaat over informatie en bepaalt mogelijk welke neuronen op welke manier vuren. De wet van behoud van energie heeft helemaal geen bezwaar tegen invloed van de geest op het lichaam.”

“Daarmee is de geest nog niet een echte actor, hoogstens een doorgeefluik van een opwindende zintuiglijke ervaring. Maar het probleem word groter wanneer je je niet alleen afvraagt of de geest een centrale instantie is die opdrachten geeft maar ook of die beschikking heeft over alle waarnemingen. De geest die we gewoonlijk ‘ik’ noemen en Skinner ‘homunculus’ waardoor je met deze illusie kunt afrekenen vanwege de oneindige regressie die dit beeld inhoud.”

Tot zover wat Arie Bos betreft, nu laten we terug Ramachandran aan het woord via zijn boek ‘Het Bewustzijn’:

 “We zouden de metarepresentatie bijna als een soort ‘parasietenbrein’ kunnen beschouwen (of als een serie processen) dat in de mens is ontstaan om een economischere beschrijving te creëren van de automatischer processen die uitgevoerd worden in het eerste brein. Ironisch genoeg impliceert dit idee dat de ‘homunculus-misvatting’ (het idee dat een klein mannetje in onze hersenen naar een soort filmbeelden van qualia zitten te kijken) toch geen misvatting is. De waarheid is dat wat ik een metarepresentatie  noem, een griezelige gelijkenis vertoont met de homunculus die de filosofen met zoveel genoegen naar de schroothoop verwijzen. Ik opper dat de homunculus eenvoudigweg de metarepresentatie zelf is of een of andere hersenstructuur die later in de evolutie ontstond om metarepresentaties te creëren, en dat het uniek is voor de mens of in ieder geval veel verfijnder dan een ‘chimpunculus’. Deze metarepresentatie kan natuurlijk geen kopie zijn van de eerst representatie, maar moet net als de eerste dienen om symbolen te creëren die nieuwe stijlen van calculatie bevorderen, hetzij om intern sequentieel te goochelen met symbolen (‘gedachten’) of om te communiceren met anderen via een eendimensionale geluidstroom (‘taal’) die een heel belangrijke functie is van ons huidige denken.”

NB: Gurdjieff (meer dan 100 jaar geleden!): “Wat is ons ‘bewustzijn’, ons ‘geheugen’, ‘kritisch vermogen’, ‘observatie’ en ‘gewaarwording’?: “Het is datgene wat in werking treed wanneer één centrum speciaal een ander centrum observeert, wanneer het ziet, voelt en hoort wat zich daarin afspeelt en, terwijl het dit ziet, voelt en hoort het ‘Geheel’ in zichzelf registreert. We observeren een centrum maar heel zelden vanuit een ander centrum - alleen bij momenten, misschien een minuut per dag. Hiervoor moeten de verbinding intact en sterk genoeg zijn. Het aantal verbroken of niet intacte verbindingen bepaald iemands graad van subjectiviteit. Als de machine in goede staat verkeert, zal ze maar heel weinig tijd nodig hebben om de hoeveelheid materie te produceren waarvoor de slaap (verbreken van alle verbindingen!) bedoeld is. We zouden deze verbindingen doelbewust moeten kunnen verbreken i.p.v. dat ze mechanisch in ons worden verbroken en hersteld.”    

“Welbewust liegen (mogelijk door metarepresentatie functies) is de vuurproef om te controleren of een proefpersoon (of dat nu een chimpansee, een zuigeling of iemand met hersenletsel is) tegelijkertijd in staat is tot beïnvloeding van de geest van anderen en tot reflectief zelfbewustzijn.”

“Waarom hebt u het gevoel van een vaste identiteit terwijl u toch voortdurend ondergedompeld bent in een stroom van zintuiglijke indrukken, gedachten en emoties? Dit is een lastige vraag, mogelijk een pseudoprobleem omdat het onmogelijk is om tegelijkertijd twee zelven te ervaren. De twee persoonlijkheden (bij split-brain patiënten) wisselen elkaar af en weten niets van elkaar.  Op elk willekeurig moment is het zelf dat in de schijnwerpers staat, afgesneden van de andere persoonlijkheden of is zich daar heel vaag van bewust.”

NB: Gurdjieff spreekt over de verschillende’ ikken’ in de mens die ieder door willekeurige prikkels worden geactiveerd en ieder op zich op dat moment voor koning spelen (eigen cursivering: In feite  zijn dit geen ‘ikken’ maar de mensen noemen ieder verlangen dat in hen opkomt door identificatie ten onrechte ‘ik’.) Ze zijn gescheiden door buffers zodat de ene niets weet van de andere. Een andere scheiding die Gurdjieff aanbrengt is die tussen ‘essentie’ en ‘persoonlijkheid’. De ‘essentie’ is ‘aangeboren’ en de ‘persoonlijkheid’ is ‘aangeleerd’. Een mens bestaat uit twee personen. Één daarvan is de persoon die hij ‘ik’ noemt en de die de anderen ‘Ouspensky’, ‘Zakharov’ of ‘Petrof’ (vul hier u eigen naam in!) noemen. De andere is de werkelijke Ik, dat alleen af en toe in zijn leven gedurende zeer korte ogenblikken optreedt en dat pas na een heel lange periode van werken standvastig en permanent kan worden.     

“Een andere paradox is dat, ook al is het zelf eigenlijk per definitie privé, het toch zeer verrijkt door sociale interacties en mogelijk vooral in een sociale context tot ontwikkeling is gekomen. Denk maar aan de verbazingwekkende prestatie die een pasgeboren baby vertoond als u uw tong naar hem uitsteekt en dit na-aapt, wetende dat de baby hiervoor een intern model moet creëren van uw handeling en dat daarna in zijn eigen hersenen moet afspelen en de pasgeborene zijn eigen tong niet kan zien en dus de visuele aanblik van uw tong moet imiteren op basis van de gevoelde positie van zijn eigen tong. We weten nu dat dit mogelijk is door een specifieke groep neuronen in de frontaalkwabben, de zogeheten spiegelneuronen. Ik vermoed dat deze spiegelneuronen op zijn minst voor een deel verantwoordelijk zijn voor ons gevoel van ‘zelfbewustzijn verankerd in het lichaam’ evenals onze ‘empathie’ voor anderen.”

NB: De functie van wat Gurdjieff het ‘Bewegingscentrum’ noemt, is te vergelijken met wat de huidige neurowetenschappers ‘spiegelneuronen’ noemen. 

“Bij het bizarre syndroom van Anton kan een patiënt die hieraan lijdt, blind zijn als gevolg van een cortexbeschadiging  maar ontkent dat hij blind is. Misschien bezit hij een pseudo-metarepresentatie, terwijl de primaire representatie ontbreekt (door de cortexbeschadiging). Dergelijke merkwaardige dissociaties en het ontkoppelen van gewaarwording en bewust besef van gewaarwordingen zijn alleen mogelijk doordat representaties en metarepresentaties in verschillende delen van de hersenen zetelen en dus onafhankelijk van elkaar beschadigd kunnen worden (of intact blijven), in ieder geval bij de mens. Zelfs hypnose kan bij normale mensen zulke dissociaties opwekken, de zogeheten verschijnselen van de ‘verborgen waarnemer’.”     

Ramachandran in zijn boek ‘Zo werkt ons brein echt’ (2010):

“Het klinkt als en fraaie paradox, maar de behoefte om ongewenste of impulsieve handelingen te inhiberen (tegen te gaan) kan een van de voornaamste redenen voor de evolutie van de vrije wil zijn geweest. Je ‘linker inferieure wandbeenkwab’ roept voortdurend levendige beelden op van allerlei mogelijke handelingen die in een bepaalde context beschikbaar zijn, en je frontale cortex onderdrukt ze allemaal , op een na. Daarom is er wel eens voorgesteld dat we het beter kunnen hebben over een ‘vrije wil niet’ dan over een vrije wil. Bij ‘apraxie’ (een aandoening waarbij de ‘supramarginale gyrus’ - een onderdeel van de linker inferieure wandbeenkwab - is beschadigt)  kan deze patiënt geen aangeleerde handelingen meer in daden omzetten, ook al kan hij de daad benoemen. ”     

Michael Brooks over ‘Vrije wil’ in zijn boek ’13 keer onverklaarbaar’(2009):

“Met ‘transcaniële magnetische stimulatie’, een techniek waarin men gebruikt maakt van twee elektrische spoelen die een magnetisch veld opwekken dat stroompjes in de hersenen induceert,   kun je iemands lichaam dingen laten doen buiten zijn zogezegd persoonlijke wil om (ik denk hierbij aan de documentaire ‘Technocalyps’ waarin men het gedrag van een rat op afstand bestuurde). Voor mij was één keer genoeg. Dat iemand anders controle heeft over mijn lichaam staat me tegen. Ik zou mezelf echter gelukkig moeten prijzen. Sommige mensen hebben hun lichaam elke dag niet onder controle. Mensen die aan het ‘alien handsyndroom’ (AHS) lijden bijvoorbeeld, moeten vaak de ene hand met de andere tegenhouden. Die ene hand zo vertellen ze, heeft een eigen wil. Als ze een kopje met hun linkerhand op tafel proberen te zetten, wil de rechterhand het soms weer oppakken. Of terwijl hun linkerhand een overhemd dichtknoopt, begint de rechterhand het weer los te knopen. In extreme gevallen probeert de onwillige hand de persoon in kwestie te wurgen . Vandaar dat deze AHS-patiënten die hand voor het slapengaan aan het bed vastbinden. Je weet maar nooit. Er bestaan tal van voorbeelden: de man wiens hersentumor hem in een pedofiel  veranderde, of het beroemde geval van de man met hersenbeschadiging die zijn vrouw voor een hoed aanzag.”

“Willen we werkelijk dat de wetenschap in staat is om het menselijk gedrag – zwemmen, huiswerk, liefde, (moraal, geweten, enzovoort) – te reduceren tot afvurende neuronen die zich niets aantrekken van de bewuste wil van het individu?”

“Het experiment (zie Libet blz. 6) kent zeker problemen. In de versie van Haggard moet ik de F9- toets indrukken, terwijl ik met behulp van een snel draaiende digitale stopwatch op het scherm moet onthouden op welk moment ik me ‘bewust ben van de wil’ om mijn vinger te bewegen. Daar sluipen gemakkelijk fouten in. 1) Hoe kan ik bijvoorbeeld de verleiding weerstaan om de toets in te drukken zodra de klok een bepaald punt in zijn cyclus heeft bereikt? 2) En hoe kan ik mijn perceptie van het aflezen van de klok op het moment dat ik besluit de toets in te drukken onderscheiden van mijn perceptie van het aflezen van de klok op het moment dat ik voel dat mijn vinger de toets indrukt? 3) Wat betekent ‘bewust’ zijn van de wil om te bewegen eigenlijk? (NB: Dit komt weer sterk in de buurt van wat ik op blz. 4 en 5 heb beweerd!)

Om het eerste probleem tegen te gaan, zegt de onderzoeker die het experiment uitvoert steeds tegen de proefpersoon dat hij degene is die de lijding heeft, en niet de klok. Na afloop worden de gegevens gecontroleerd op patronen in de timing die tot een vertekening van de resultaten kunnen leiden. Het tweede bezwaar  is interessanter en heeft te maken met iets dat crossmodale synchronisatie heet. Dit is te vergelijken met het synchroniseren van het gesproken woord en het bewegen van de lippen zoals bij een filmopname. De hersenen zijn op dit vlak heel flexibel. Als het geluid ongeveer 50 milliseconden uit fase is, merken we daar niets van. Hetzelfde gebeurt als de proefpersonen van Libet het moment dat zij zich bewust worden van een voorgenomen handeling proberen te synchroniseren met een blik op de klok. Die bewustwording is een interne mode, terwijl het aflezen van de klok via de visuele mode gaat. Tests laten zien dat dit tot synchronisatiefouten van 50 tot 150 milliseconden leidt. Dat is onvoldoende om het gat van 350 milliseconden tussen de onbewuste start en de bewuste drang om een beweging uit te voeren te dichten. Het derde bezwaar is problematisch, zegt Haggard, maar dat is echter een kwestie van woorden: ik moet niet de illusie hebben dat het gat gedicht kan worden door de details van het experiment te betwisten. We kunnen er niet omheen: onze bewuste ‘voornemens’ zijn bijproducten van iets wat al gebeurt.”

NB: Gurdjieff: “Alle mensen denken dat zij kunnen doen, alle mensen willen iets doen, en de eerste vraag die alle mensen altijd stellen, is wat zij moeten doen. Maar in werkelijkheid doet niemand iets en kan niemand iets doen. Dit is het eerste wat wij dienen te begrijpen. Alles gebeurt. ... “Maar niemand zal het ooit geloven wanneer je hem verteld dat hij niets kan doen. Dit is het meest onaangename en beledigende wat je hem kunt zeggen. Het is vooral daarom zo onaangenaam omdat het de waarheid is en niemand wenst de waarheid te kennen.”       

“Begin jaren 90 voerde Itzhak Fried operaties uit op de hersenen van patiënten met ernstige epilepsie. Alles bij elkaar stimuleerden (via een sonde met elektrische stroom) Fried en zijn medewerkers 299 hersengebieden bij 13 patiënten, waarvan er 129 een respons te zien gaven. De meeste van die reacties waren gewoon lichaamsbewegingen. Maar dat was niet de grote verassing. Wat de onderzoekers werkelijk versteld deed staan, was dat de patiënten vertelden dat zij ‘drang’ voelden om het een of andere lichaamsdeel te bewegen, afhankelijk van de plek waar de hersenen gestimuleerd werden. En toen de onderzoekers de stroom in elk van die gevallen nog wat verder opvoerden, gebeurde dat ook: de drang werd omgezet in een handeling – precies de handeling waarvan de patiënten hadden aangegeven dat ze die wilden uitvoeren. Door op de juiste knopjes te drukken, hadden de onderzoekers de wil van de patiënten overgenomen. En door nog wat harder te drukken, namen ze ook hun lichamen over.”

Daniël Wegner en Thalia Wheatley hebben in 1999 aangetoond dat ‘vrije wil hebben’ met een stevige korrel zout moet worden genomen. Ze stelden een aantal studenten op de proef via een experiment met een stukje bedrog. Elke deelnemer werd gekoppeld aan iemand die in het complot zat en waarvan de student dacht dat deze ingewijde ook een onwetende deelnemer was. Met had op een computermuis een vierkant bord geplakt. De deelnemers kregen de instructie om hun vingers op de meest nabije rand van het bord te plaatsen en de muis zo te bewegen dat de cursor op het beeld-scherm trage cirkelbewegingen maakte. Op dat beeldscherm waren vijftig kleine speelgoedfiguurtjes te zien. Om de 30 sec. moesten ze de beweging van de muis stoppen en individueel aangeven in welke mate het hun opzet was om daar te stoppen. Hoewel alle cursorbewegingen en alle onderbrekingen door de ingewijde werden veroorzaakt , wisten de studenten te melden dat die onderbrekingen hun opzet was, daarvan waren ze overtuigd.  Wegner voerde ook vergelijkbare experimenten uit waarbij de studenten onbewuste de ‘onbewuste spierbewegingen’ van hun partner moesten lezen. Bij deze onderzoeken meenden de studenten dat zowel zij als hun partner eenvoudige vragen te horen kregen zoals ‘Is Washington D.C. de hoofdstad van de Verenigde Staten?’ Door hun vingers boven op die van hun partner te leggen, moesten de studenten de reactie van die partner ‘voelen’ en vervolgens de juiste toets indrukken: ja of neen. In werkelijkheid hoorde de partner - die weer in het complot zat – niets en reageerde hij of zij dus ook niet. De studenten kozen in 87 procent van de gevallen het juiste antwoord, maar schreven de antwoorden in 37 procent van de gevallen toe aan de respons van hun partner. M.a.w.: de juiste antwoorden werden vaak automatisch gegeven zonder dat er sprake was van bewuste opzet. De verwachting van een onbewuste beweging van de partner was voldoende om er de ervaring van bewuste wil te ondermijnen.”

NB: Het ‘ideomotorisch effect’ is het psychologisch fenomeen dat mensen spierbewegingen maken nadat ze deze onbewust bij anderen hebben waargenomen of doordat ze er onbewust aan denken. [Denk aan de functie van het Bewegingscentrum (Gurdjieff) en de spiegelneuronen.] Het ideomotorisch effect verklaart de werking van vermeend paranormale of bovennatuurlijke zaken zoals het Ouijabord, automatisch schrift, de wichelroede en telekinese. Beoefenaars van deze paranormale bezigheden menen vaak - ten onrechte - dat de geproduceerde bewegingen afkomstig zijn van een kracht buiten henzelf. Ideomotorische effecten komen ook voor bij het televisiekijken, mensen die actief meeleven met hun favoriete sporter vertonen spierspanning in dezelfde spieren als de sporter. De term 'ideomotorisch' werd voor het eerst gebruikt in een verhandeling uit 1852 over de vraag hoe het Ouijabord functioneerde, van de hand van de Engelse fysioloog en spiritisme-bestrijder William Benjamin Carpenter. Carpenter zette daarin zijn theorie uiteen, dat spierbe-wegingen onafhankelijk kunnen zijn van bewuste emoties of verlangens. Het effect wordt, naar zijn ontdekker, ook wel Carpenter-effect genoemd.Wetenschappelijke tests door onder meer Michael Faraday, Michel Chevreul, William James en Ray Hyman hebben aangetoond dat allerlei fenomenen die dikwijls worden toegeschreven aan spirituele of paranormale krachten of "energieën", feitelijk veroorzaakt worden door het ideomotorisch effect. De tests tonen verder aan dat "eerlijke, intelligente mensen onbewust musculaire activiteit vertonen die consistent is met hun verwachtingen" (Hyman 1999). Mentalisten - zoals de Brit Derren Brown - benutten het ideomotorisch effect soms voor bepaalde onderdelen van hun shows, zoals voor het laten bewegen van een slinger. Brown beschrijft dit verschijnsel zelf ook in zijn boek Tricks of the Mind.   

Haggard en Suckvinder: ‘Het in twijfel trekken van onze vrije wil kan leiden tot een ‘filosofisch inferno’’. Haggard weet echter dat dit filosofische inferno in het niet valt bij het juridische inferno dat voor de deur staat. Hersenscans worden steeds geavanceerder. Het gaat al lang niet meer om de vraag welk hersengebied beelden verwerkt of welk gebied de motorische functies controleert. Neurowetenschappers kunnen nu de plekken aanwijzen van eigenschappen die we niet met het organische associëren, maar met de persoon. Schuldgevoel, schaamte, spijt, rouw, impulsiviteit – het zijn allemaal meetbare grootheden. De anatomie van persoonlijkheid en ervaring wordt gereduceerd tot elektrische signalen. Als we ontdekken dat sommige mensen voorgeprogrammeerd zijn voor impulsief gedrag -  en dat begint erop te lijken -, hoe lang zal het dan nog duren voordat dit bij rechtszaken ter verdediging wordt aangevoerd?”

NB: Zou het omgekeerde ook niet waar zijn? Veronderstel dat uw wereld bestond uit het waarnemen van elektrische signalen en u zou door onderzoek vaststellen dat deze elektrische trillingen uitdruk-kingen zijn van psychische factoren. Zou zo’n wetenschapper dan tot de conclusie komen dat elektrische trillingen die zijn ervaringswereld of persoonlijk objectbewustzijn vormen, in werkelijkheid een reductie zijn van psychische factoren? Wordt hier weer niet vergeten dat het begrip ‘elektrische signalen’ een nieuw object van ervaring in het bewustzijn is? Met andere woorden: het vult een bepaalde ervaring aan maar is er niet de oorzaak van.           

Henry  Stapp, natuurkundige aan het Lawrence Berkeley National Laboratory in Californië, noemt de kwantumtheorie als bron van twijfel over het experimentele bewijs van het Libet-experiment. In de kwantumtheorie kan de waarneming de uitkomst van het experiment beïnvloeden en dus mogen de resultaten van experimenten die op zelfwaarneming gebaseerd zijn niet kritiekloos worden overgenomen.”

NB: Het kwantumtheoretische gegeven dat de waarnemer het experiment beïnvloed geeft ons geen enkele reden om het Libet-experiment (of andere vergelijkbare experimenten) in twijfel te trekken. De waarnemer (onderzoeker) weet niet waarom of hoe het komt dat hij dit kwantummechanische experiment beïnvloed. Het gebeurt gewoon. Daarbij komt dat de uitslag van zulke experimenten veranderen door het soort opstelling waarvoor de onderzoeker kiest en niet door zijn aanwezigheid, al is en blijft hij natuurlijk als mens het ultieme instrument dat de proefopstellingen doet en de maat ervan is.     

Steven Pinker: ‘Vrije wil is een denkbeeldige constructie. Maar eentje met toepassingen in de werkelijkheid.’

NB: Dit is vergelijkbaar met het ‘placebo-effect’ en ‘homeopathie’ – zie mijn artikel hierover met de titel ‘Verscheidenheid (complexiteit), vooroordeel (persoonlijkheid, opvoeding), placebo en homeopathie’. Ook is dit een andere uitdrukking voor de functie van de persoonlijkheid met betrekking tot de essentie.  

2. Dit alles moet voldoende zijn om tot conclusies’ te komen (februari 2012), in samenspraak met de leer van Gurdjieff en waarvan al stukjes als begeleidend commentaar zijn vrijgegeven.       

Wat is Wil?! En als alles mechanisch verloopt waarom ontstaat daaruit dan het gevoel van een ‘wil’ en voelen wij ons geen marionetten aan een touwtje? Alvorens hierop in te gaan, wil ik nog iets mededelen over het syndroom dat ‘Body Integrity Identity Disorder’ (BIID) noemt, omdat het begrip ‘wil’ hier een onverwachte bizarre nasmaak krijgt:

Kees van der Duin: 'Als kind wist ik al zeker dat mijn linkerbeen niet bij mij hoorde. Ik kon enorm jaloers worden op mensen met een amputatie. Mijn ideale lichaamsbeeld zag er net zo uit: met één been lopend op krukken, mijn linkerbeen tien centimeter boven de knie afgezet. Maar ik schaamde me ervoor, ik kon die wensgevoelens niet voor mezelf rechtvaardigen. Misschien hadden deze mensen wel vreselijke dingen doorstaan, een ongeluk of een ziekte. Ik dacht dat ik de enige was met zulke bizarre gevoelens. En ik voelde me machteloos, ik wist niet hoe ik ermee moest omgaan. Terwijl ik mijn studie afmaakte, een huis kocht en trouwde, spookten de gedachten aan een amputatie voortdurend door mijn hoofd. Ik kon het niet loslaten. Ik voel me overcompleet, alsof ik in een verkeerd lichaam ben geboren. Hoe gek het ook klinkt: mét dat been voel ik me gehandicapt, en ik weet zeker dat ik dat zonder dat linkerbeen niet heb.’”

“Kees van der Duin Schouten (38) lijdt aan een zeldzame stoornis die sinds kort bestempeld wordt als ‘Body Integrity Identity Disorder’ (BIID). Mensen met BIID hebben een allesoverheersende amputatiewens. Ze willen hun rechterarm afgezet hebben onder de elleboog, ze willen dat hun linkerbeen boven de knie geamputeerd wordt of zelfs beide ledematen aan een zijde van het lichaam.”

“Een van de geïnterviewden uit het onderzoek van First verlangde zijn leven lang naar een ­amputatie van beide benen, boven de knie. Toen deze man bij een schietincident zijn linkerarm verloor, hield dat verlangen onverminderd aan. Dat soort verhalen roepen de vraag op of er bij BIID’ers mogelijk een mismatch in de hersenen plaatsvindt: misschien is het lichaamsbeeld in de hersenen een beeld van een lijf zonder been of arm. Hoe scherp dat beeld kan zijn, blijkt wel uit het verhaal van Baz. ‘Omdat ik natuurlijk niet zelf kon snijden, is er aan de linkerkant ­eigenlijk net iets te veel van mijn been weg­gehaald, en aan de rechterkant iets te weinig. Ik kan bijna tot op de millimeter uittekenen waar de grens precies had moeten lopen.’”

Ramachandran, stelt op basis van zijn onderzoek bij mensen met ‘fantoomledematen’ (ledematen die na amputatie gewoon mee lijken te blijven doen) dat we bij de geboorte een innerlijk vastgelegd beeld moeten hebben van het lichaam en de ledematen. Zo is in zijn boek ‘Het bizarre brein’  bijvoorbeeld het verhaal te lezen van Mirabelle, die geboren werd met twee stompjes in plaats van armen. Zo lang ze zich kan herinneren heeft ze echter het gevoel gehad dat haar ‘armen’ meedoen als ze praat, dat ze naar voorwerpen wijzen als ze dingen aanwijst, net als bij mensen mét armen. Interessanter nog: Mirabelle stelt dat haar fantoomarmen een stuk korter zijn dan normale armen. Dat merkt ze als ze haar prothesen aandoet. ‘Eigenlijk zouden mijn fantoomvingers als een hand-schoen in de vingers van de prothesen moeten passen, maar mijn arm is ongeveer twintig centimeter te kort. Ik vind dat erg frustrerend, omdat het niet natuurlijk aanvoelt.’ Hoewel Mirabelle dus nog nooit in haar leven visuele of kinetische feedback uit haar ‘armen’ heeft gekregen, lijkt het circuit van zenuwcellen dat deze opdrachten tot stand brengt in de hersenen intact te zijn gebleven. Dat wijst er volgens Ramachandran op dat het netwerk van zenuwcelverbindingen dat verantwoordelijk is voor het lichaamsbeeld ten minste deels moet vastliggen in de genen. Hoewel er niets over bekend is, kun je je voorstellen dat er bij mensen met BIID iets is misgegaan in het neurale circuit waarin het lichaamsbeeld vastligt.”

Het klinkt zo eenvoudig: ... 



Gepost door eagle op donderdag 5 april 2012 0 reactie(s)


Verscheidenheid (complexiteit), vooroordeel (opvoeding), placebo en homeopathie

Als ik het artikel ‘Dossier Placebo: Het brein als medicijn’ lees, dat op 19-1-2012 in de rubriek ‘Eclecticus’ is verschenen, is de gedachte die ‘terug’ (dit wordt bij het verder lezen duidelijk) bij dit lezen opkomt dat ik veel dommer zou willen zijn en zo vatbaarder voor suggesties omdat mijn verstand tot nog toe het geloof in placebo in de weg heeft gezeten en ik dus mogelijk positieve effecten van placebo ben mislopen. Dit is natuurlijk ook (enigszins?!) ironisch bedoelt.  

Het ‘toeval’ wil dat ik dinsdag (dus twee dagen voor het verschijnen van dit artikel) het boek ‘13 keer onverklaarbaar’ van M. Brooks had aangeschaft. Er werd in dit boek een hoofdstuk gewijd aan ‘Placebo’ en aan ‘Homeopathie’. Dit boek is op alle vlakken een echte aanrader. Voor de eerste keer vernam ik iets over deze controversiële disciplines dat mij er anders deed over denken en inspireerde. Een dag later wijde Labyrint op Nederland 2 zijn aandacht aan Placebo en dit was de aanleiding dat het artikel over placebo op Eclecticus is verschenen. Zelf had ik mij op dinsdag (na het lezen in ’13 keer onverklaarbaar’) al voorgenomen om een blog te schrijven over dit onderwerp. 

Alvorens mijn eigen inspiratie aan bod te laten komen, geef ik enkele passages (verkort) uit het vermelde boek weer (in het cursief) die een aanvulling zijn op het artikel in ‘Eclecticus’. De niet gecursiveerde woorden zijn mijn eigen inbreng.

Placebo: Dit begrip is ontstaan in de middeleeuwen door hebzuchtige predikanten die geld vroegen om bij een begrafenis psalm 116 voor te lezen die begint met de woorden: ‘Placebo Domino in regione vivorum’ (Ik zal de Heer behagen in het land van de levenden). Placebo (ik wil behagen) werd zo synoniem voor een soort bedrog waarin men liever de patiënt behaagt dan geneest.

Plato laat in een dialoog de Griekse koning Zamolxis tegen Socrates zeggen dat de scheiding van lichaam en geest de grootste fout was van de artsen in zijn tijd. Volgens Zamolxis was het onmogelijk het lichaam te behandelen zonder de geest te behandelen.

Placebo doet denken aan het onzekerheidsprincipe van W. Heisenberg. Steeds als je iets meet verstoor je het. Of in de context van het onderwerp ‘placebo’: ‘Ieder woord of gebaar kan een invloed uitoefenen op iemands welzijn.’ Het doet ook denken aan de uitspraak als iemand gearresteerd wordt:  ‘Alles wat je zegt kan tegen u gebruikt worden’, en waaraan men ook zou moeten toevoegen: ‘... maar ook in uw voordeel gebruikt worden.’

Homeopathie: Het geheugen van water: Homeopathische geneesmiddelen worden zo sterk verdund dat er wetenschappelijk gezien geen enkele molecule van het oorspronkelijk ziekmakende element meer aanwezig is in de oplossing. In geval de oplossing water is, is er dus enkel nog water over. Daarom beweren de voorstanders van homeopathie dat water een herinnering heeft aan het ziekmakende element. Het hoeft geen betoog dat dit voor vele mensen (waaronder mezelf) een moeilijk te verteren bewering is (of was voor mezelf).

Water is een bijzonder element dat volgens Martin Chaplin, hoogleraar en grootste specialist wat betreft het element water, minstens 64 anomalieën bevat. Voor een eiwit is water net zo belangrijk als aminozuren waaruit eiwitten zijn opgebouwd. Watermoleculen spelen een essentiële rol bij de verwerking van informatie die in het DNA ligt opgeslagen en is de spil bij het verschijnsel leven.  

Plato beweerde dat het element water een icosaeder (een regelmatig twintig vlak) was. Duitse wetenschappers troffen deze vorm aan bij een minuscuul druppeltje water ter grootte van een miljoenste millimeter. Water verandert het gemakkelijkst van structuur van alle moleculaire vormen en een en dezelfde hoeveelheid water kan in clusters van 2 tot 280 moleculen voorkomen waardoor ‘hetzelfde’ water verschillende eigenschappen kan hebben.

NB: Onderaan dit artikel onder de naam ‘Water’ geef ik enkele sprekende zinnen weer die in verband staan met het begrip ‘Water’. Ook volgt er een beschrijving van de botanicus, zoöloog, bioloog, antropoloog en etholoog Leyall Watson over het wonder van water.     

Epitaxi is een bekend verschijnsel waarbij structurele informatie van het ene materiaal op het andere wordt overgedragen, zonder dat er materiaal wordt uitgewisseld of scheikundige reacties plaatsvinden. Dit wordt toegepast in de halfgeleiderindustrie en vinden we dus terug in onze computers, pacemakers, enz. Mogelijk is bij het proces om homeopathische geneesmiddelen te maken iets gelijkaardigs werkzaam.

Van een katalysator wordt gezegd dat het een chemisch product is dat een scheikundige reactie teweegbrengt in een chemisch mengsel zonder zelf van hoedanigheid te veranderen. Dergelijke processen zijn ook nodig, wil iets kunnen ontsnappen aan voortdurende verandering en waardoor leven zoals wij dit kennen onmogelijk zou zijn.

Wij kunnen iets waarnemen en daarna eventueel reproduceren via het geheugen. Er is hierdoor een verandering in onze geheugenopslag ontstaan, maar niet in het geheugen zelf. Tenslotte zijn we nog dezelfde persoon en toch is er iets verandert. Met andere woorden: het ‘homeopathisch principe’ was al werkzaam in ons voordat iemand er zich een begrip van vormde.    

Waar komt het idee om oneindig te verdunnen en schudden van de vloeistof vandaan en waarom is dit nodig als het uiteindelijke effect op chemische werking moet berusten?

Zou het niet kunnen zijn dat schudden wel degelijk iets te maken heeft met chemie, maar dan met chemie waarin de kosmische en psychische eigenschappen van materie niet worden ontkend?

Gurdjieff zegt in dit verband het volgende: “Materie is inderdaad altijd hetzelfde is, maar ‘materialiteit’ is verschillend. De verschillende graden van materialiteit zijn rechtstreeks afhankelijk van de hoedanigheid en de eigenschappen van de energie die zich in een gegeven punt openbaart.

[NB: Voor de geïnteresseerde lezer: ‘Lees het boek ‘Op zoek naar het wonderbaarlijke’ en/of wordt  leerling van DIMschool vzw.] En schudden of verdunnen, of zelfs maar in de handen houden en dan nog afhankelijk van in welke handen, zijn een vorm van energie, die de materialiteit van materie veranderen. Ik denk hierbij aan de glazen met water die Gurdjieff in zijn handen nam en behandelde, waardoor zijn vrouw, die aan keelkanker leed, in staat was dit water op te drinken. Iets waardoor zij zonder deze behandeling niet in staat was vanwege de pijn die het slikken ervan veroorzaakte. Hij beweerde dat hij door velen beschouwd werd als de enige mens op aarde die in staat was kanker te genezen door magnetiseren.

Deze zekerheid kan gemakkelijk worden begrepen,’ zei hij, "als ieder zich de moeite wil getroosten grondig kennis te nemen van het hoofdstuk van mijn werken gewijd aan ‘De wet van de trillingen.”

En wie kent niet het instinctieve spontane gebaar om een kind over het hoofd te strelen als het pijn heeft of verdriet? Of het geven van een kusje op de pijnlijke plek, of het betasten met de handen van het hoofd of de plaats waar iets pijn doet? Of het ritmisch instinctief schudden van het lichaam  (wat een hond regelmatig doet) bij het koude rillingen? Dit zouden best wel eens instinctieve toepassingen kunnen zijn van een soort van placebo, of homeopathie.        

En zo wordt het begrijpelijk waarom placebo en homeopathie zo moeilijk te reproduceren en dus te bewijzen zijn en waarom een en dezelfde stof toch een andere eigenschap kan hebben zonder op zichzelf verandert te zijn. We realiseren ons niet voldoende (ook ik niet!) dat zonder materialiteit (zoals het placebo of homeopathisch effect) en alleen op basis van materie op zich, communicatie (en waarop ook ons immuunsysteem werkt) onmogelijk zou zijn en leven onbestaande. 

Placebo is natuurlijk een tweesnijdend zwaard, en omdat iedere kracht vanzelf de tegengestelde kracht oproept, is het niet te verwonderen dat het begrip ‘Nocebo’ ('ik zal schaden') ook de kop opstak. En dit verklaart niet alleen mijn interesse maar ook mijn weerstand tegen placebo en homeopathie omdat ik in een bepaalde relatie ondervonden heb welke negatieve gevolgen dergelijke vormen van suggestie kunnen hebben op iemands welbevinden en denken. Men kan zelfs zijn eigen verantwoordelijkheid ontlopen door zich te verbergen achter vormen van geloof waardoor de schuld van eigen falen bij anderen wordt gelegd. Dit was voor mij een droevige pijnlijk ervaring met iemand die ik liefhad en die voor het overige een zeer intelligente en gevoelige vrouw was.

‘Het woord is machtiger dan het zwaard’, is in feite een gezegde waarin de begrippen ‘placebo’, ‘homeopathie’ en ‘nocebo’ volstrekt van toepassing zijn - want, wat is een woord oneindig dun (ongrijpbaar) vergeleken met een zwaard en toch veel krachtiger dan een zwaard op zich! Het zwaard beweegt eerst nadat een bepaald woord is gevallen en op basis van het woord waarin de drager gelooft. Toch is wetenschappelijk gezien - wat betreft de pure atomaire samenstelling van een persoon in vrede of in oorlog, met zichzelf of met iets of iemand anders - geen enkel verschil vast te stellen.           

Ook wordt het begrijpelijk waarom genezing door sjamanen, gebedsgenezers, reiki-methodes, en zo meer toch effect kunnen hebben. Maar laat ons niet vergeten dat er veel ziektes zijn die niet onderhevig zijn aan het placebo effect wat genezing van de oorzaak zelf betreft. Het gezond verstand, voor wat het waard is, is hierdoor nog niet rijp voor de vuilnisbak.  

Door het lezen in ’13 keer onverklaarbaar’ besefte ik plots dat er enkele fenomenen zijn - die volgens mij - onverbrekelijk verbonden zijn met de verschijnselen ‘placebo’ en ‘homeopathie’, maar die niet vermeld worden als men het over deze onderwerpen heeft.  

Dit zijn: 1. Synesthesie. 2. Het belang van vorm, kleur, cultuur, mimiek, vooronderstellingen, reclame, enzovoorts, bij het beoordelen van onder andere smaak in al zijn facetten, dus ook geestelijke smaak. 3. Het vermogen van mensen om zich zintuiglijke vermogens aan te kweken waarvan men denkt dat ze enkel aan bepaalde dieren toebehoren. 4. Optische of andere zintuiglijke illusies.

Deze vier fenomenen zijn sterk aan elkaar verwant. Voor meer voorbeelden dan ik hier geef, moet de lezer maar bijkomende informatie opzoeken, of bij zichzelf ten rade gaan.

1. Bij synesthesie ervaart de betrokken persoon - bijvoorbeeld - levendige kleurverschijnselen als hij iets hoort. Er zijn geheugenkunstenaars die dit fenomeen gebruiken om niets te vergeten. Dit verschijnsel kan ervoor zorgen dat men bepaalde muziek omwille van de begeleidende intense synesthetische verschijnselen de voorkeur geeft.   

2. Iedereen kent het fenomeen dat wijn drinken uit een koffietas anders smaakt dan wijn uit een elegant wijnglas. Idem voor bier of andere dranken. Van mensen die plots kleurenblind worden is geweten dat hun voedsel niet meer smaakt omdat het er in die grijstinten niet meer appetijtelijk uitziet. Een met een biologische blauwe kleur bespoten appel die de smaak niet beïnvloed, zal geen kopers vinden. In al deze voorbeelden is aan de smaak van het product dat geproefd wordt niets verandert! Een insect, dat andere kleuren waarneemt van een bloem dan de mens, zou - als het er toe gemanipuleerd werd om kleuren waar te nemen zoals de mens - zijn voedselbronnen wel eens links kunnen laten liggen en verhongeren.    

3. Er zijn blindgeboren mensen, die zich hebben aangeleerd om hun omgeving te ‘zien’ doormiddel van klikken met hun tong tegen hun gehemelte. Dit is een vorm van echolocatie zoals, onder andere, de vleermuis het toepast. Ook kan men iemand leren om elektromagnetische velden waar te nemen [zie voor meer voorbeelden de documentaire van Horizon (BBC) met de naam ‘Is seeing believing?’]. Ook de vermogens van sommige ‘Idiot Savants’ passen in dit plaatje. Blijkbaar bezit de mens als individu en hoogst geëvolueerde vorm uit het dierenrijk mogelijk alle ‘zintuiglijk waarnemingspotentieel’ dat het dier als soort is gegeven, maar blokken wij deze mogelijkheden af onder invloed van omgeving, opvoeding en cultuur.  

4. Evolutie houd in dat men uit een oneindig potentieel van trillingen (informatie) die gebruikt die nodig zijn om te overleven. Een volledig bevatten van dit potentieel zou het ontvangapparaat (de zintuigen en hersenen) verbranden. Betekenis geven aan zijn omgeving is essentieel voor iedere levensvorm ook al gebeurt dit instinctief. Als er dus iets plaatsvindt dat op kunstmatige wijze door de mens bewust is gemaakt om te misleiden of er door een uitzonderlijke samenloop van natuurlijke omstandigheden iets ontstaat dat niet direct herkend wordt, zal de instinctieve noodzaak tot herkenning het fenomeen een gekende vorm geven die bij nader inzicht helemaal niet gelijkt op wat werd verondersteld. Enkele primair in het oog springende facetten zijn genoeg om de verbeelding (creatief vermogen) aan het werk te zetten. Zo kun je dus in doodangst verkeren of verleid worden door een volstrekt onschuldig iets dat helemaal niet was wat jou hersenen er van voorstelden. 

Uit al deze voorbeelden, en uit wat daarvoor al is geschreven, is het niet moeilijk af te leiden en in te zien waarom placebo en homeopathie met deze fenomenen verwant zijn en waarom het zo moeilijk is deze verschijnselen te reproduceren en zodoende te bewijzen. Ze zijn té individueel en té complex. Ook blijkt uit dit alles dat wat het placebo- en homeopatische effect betreft, deze fenomenen wel eens veel fundamenteler zouden kunnen zijn in het leven dan men denkt.

Het is niet kennis op zich, maar het openstaan voor kennis vanuit het hart, dat de nodige ruimte (liefde) schept om zich over zijn vooroordelen heen te zetten. Dit is het belangrijkste voor mezelf dat ik uit het onderwerp ‘placebo’ en ‘homeopathie’ heb gehaald na het lezen ervan in ’13 keer onverklaarbaar’. Dit zal iemand ook helpen bij de prangende beslissing (die zeker zal volgen als hij zich bewust is van wat in dit artikel over placebo en homeopathie is beschreven) of men nu wel of niet aan iemand moet meedelen of deze ongeneeslijk ziek is.

Oprechte twijfel is de stuwende kracht achter kennis en elkaar begrijpen. Zekerheid leidt tot fanatisme en fundamentalisme en is de doder van het hart. Daarom is liefde ruimte en licht, en is haat bekrompenheid en duisternis.                          

Water

Dat water, in welke context ook, heel belangrijk is komt ook tot uitdrukking in de volgende zinnen.

Genesis 1: 1-2: “In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde was woest en leeg; de duisternis lag over de diepte, en de Geest van God zweefde over de wateren.”

Natuurkundigen proberen al een tijdje om het ‘oergas’ opnieuw tot leven te wekken. Daarbij hebben ze een verassende ontdekking gedaan. De oermaterie zou geen gas, maar een vloeistof zijn geweest. Om de oerstof te reïncarneren schieten wetenschappers in deeltjesversnellers goudpartikeltjes tegen elkaar met bijna de snelheid van het licht. De interacties tussen de quarks en de gluonen die uit deze botsing tevoorschijn komen, vertonen veel meer eigenschappen van een vloeistof dan van een gas. (uit: Nuclear Physics 2005)

Johannes 3: 5: “Tenzij iemand geboren wordt uit water en geest, kan hij het koninkrijk Gods niet binnengaan.”

Gurdjieff in ‘Op zoek naar het wonderbaarlijke: “’Ik heb de term ‘een punt van het heelal’ gebruikt. Deze term heeft een zeer bepaalde betekenis. Een ‘punt’ duidt namelijk een bepaalde combinatie van ‘waterstoffen’ aan die op een bepaalde plaats in een bepaalde relatie staan en die een bepaalde functie in een of ander stelsel vervullen. Het begrip ‘punt’ kan niet vervangen worden door het begrip ‘waterstof’ omdat waterstof eenvoudig materie betekent zonder ruimtelijke begrenzing.

De mens bevat evenveel water als de planeet aarde; namelijk 70 procent.

Een bevruchte eicel bestaat voor 95 procent uit water.

Net voor water vloeibaar wordt (tussen –5°C en 0°C) krijgt het een vorm die identiek is met het Chinese karakterteken voor water.

Het wonder van water. (Lyall Watson. 1986)

Volgens de wetten van de fysica moeten stoffen dichter worden (krimpen) naarmate hun temperatuur daalt. Water houdt zich niet verder dan tot 4°C aan het voorgeschreven gedrag. Dan gebeurt er iets vreemds. In plaats van verder te krimpen begint het plotseling uit te zetten, tot het bij 0°C zelfs tien procent in omvang toeneemt. Dat is de reden dat in een koude winternacht rotsen splijten, waterleidingen springen, enzovoorts ... Dit is ook de reden dat er nog steeds leven op aarde is. Als water zich niet zo merkwaardig gedroeg, zou ijs zinken en zouden waterlopen, rivieren en baaien massief worden.

Water kan in tegenstelling tot de ons bekende scheikundige stoffen zowel een base of een zuur vormen zodat het onder bepaalde omstandigheden met zichzelf een reactie kan aangaan. Als water niet zo hyperactief was zou geen enkel essentieel mineraal vanuit de bodem kunnen doordringen in de wortels van een plant of omhoog stromen naar haar uitlopers de bladeren of en de bloemen. We zouden niet in staat zijn ons voedsel te verteren of voedingsstoffen door de bloedbaan te transporteren. En er zou geen absorptie zijn van levende gassen door de vochtige membranen van blad en long.

Gesmolten ijs ziet er misschien helder uit, maar in werkelijkheid bevat het kortstondige reeksen kristallen die zich miljoenen malen per seconde vormen en uiteenvallen. Het is alsof het vloeibare water zich de vorm van het ijs, waaruit het zojuist is voortgekomen, wil herinneren door de formule steeds in zichzelf te herhalen, bereid om elk moment terug te keren. Waarschijnlijk zouden we, als we met een voldoende korte belichtingtijd konden fotograferen zelfs in een glas heet water ijsachtige structuren zien.

Bij de meeste andere stoffen is de hoeveelheid warmte die nodig is om een bepaalde hoeveelheid water één graad in temperatuur te doen stijgen voor elke graad gelijk. Bij water niet. Tussen 35°C en 40°C is water buitengewoon ontspannen en laat het zich het gemakkelijks verwarmen. En dit smalle temperatuurgebied valt ‘toevallig’ samen met de gemiddelde lichaamstemperatuur van de mens en de meeste andere actieve dieren. Dit is niet alleen aangenaam maar zelfs van levensbelang. Het zou de oplossing kunnen zijn voor het raadsel waarom levende wezens zo uitstekend in staat zijn zich op hun omgeving af te stemmen.

Giorgio Piccardi, verbonden aan het instituut voor fysische chemie in Florence, werd altijd geïntrigeerd door de grilligheid van de chemische reacties. Soms doen ze het wel, soms doen ze het niet. Hij vermoedde dat zelfs heel eenvoudige reacties invloeden ondergingen die zich aan elke controle door het laboratorium onttrokken, en begon aan een langdurig experiment om zijn hypothese op de proef te stellen. Tien jaar lang schonk hij driemaal per dag bismutoxychloride (een gangbare colloïde) in gedistilleerd water, en noteerde de tijd die verstreek voordat zich een troebele neerslag vormde. Dat varieerde enorm, maar niet willekeurig. Er waren plotse snelle veranderingen die hij in verband kon brengen met veranderingen in het magnetische veld van de aarde. En er waren invloeden op langere termijn die een nauwe samenhang vertoonden met de vlekken op de zon.

Het begint er op te lijken dat water meer is dan een handig oplosmiddel en een nuttig middel bij de spijsvertering. De flexibiliteit ervan en de gevoeligheid in het gebied rond onze lichaamstemperatuur maken het tot een ideale bemiddelaar. Een contactpunt tussen onszelf en de kosmos. Iets dat bijna een afzonderlijk zintuig is.

De Duitse ingenieur, Thedor Schwenk heeft deze gedachte verder onderzocht en suggereert in zijn creatief boek over vloeiende vormen dat de gevoeligheid van water misschien wel even groot is als die van het menselijke oor. Een lichte bries die over een wateroppervlak blaast, kreukt het onmiddellijk tot heel kleine capillaire golven. Water geraakt nog dieper onder de indruk wanneer er een steen wordt ingegooid, en het geeft die indruk op een ritmische manier door aan zijn gehele massa. De grote ritmen van de getijden zij een reactie op krachten die voortkomen uit het samenspel tussen aarde en kosmos waarvoor het element water, als gevolg van zijn grote ontvankelijkheid, een gevoelig “zintuig” is. Hij ziet de oppervlaktelaag als receptoren, extra gevoelig gemaakt door de aanwezigheid van complexe golfpatronen, waardoor deze tot structuren worden met sommige eigenschappen van levende membranen. Wanneer een inerte hoeveelheid water in beweging wordt gebracht, al is het maar door het in gesloten vaten te schudden, neemt de gevoeligheid ervan toe. De zintuigen ervan openen zich en als gevolg daarvan ondergaat het een fysische verandering.

Om dergelijke veranderingen te kunnen vastleggen prepareerde Schwenk een aantal identieke flessen water en zorgde ervoor dat ze om het kwartier mechanisch geschud werden, kort voor, tijdens en na een volledige zonsverduistering. Toen de zonsverduistering voorbij was legde hij in elke fles een gelijk aantal tarwekorrels die hij zonder verdere inmenging liet ontkiemen. De blaadjes van de planten in het water dat tijdens de zonsverduistering was geschud, groeiden veel trager dan die in het water dat voor of na die gebeurtenis in beweging was gebracht. Schwenk concludeert dat een stroom die voornamelijk over stenen borrelt talloze inwendige oppervlakken en kleine kolkingen vormt, allemaal zintuigen die openstaan voor de kosmos. En dat het water die zo ontvankelijke indrukken doorgeeft aan planten, dieren en mensen. Omdat alle levensprocessen zich afspelen in een waterige omgeving hoeven we voor bewijzen van de kosmische werking op water niet buiten ons lichaam te kijken.

Het is een fascinerende gedachte dat een hoeveelheid water beschouwd zou kunnen worden als een organisme op zich; als een schepsel met een stofwisseling, dat sneller beweegt wanneer het warm is en minder dicht, dat nieuwe voelhorens uitsteekt, dat wanneer het van een koele plek in het bos naar de zonovergoten uitgestrektheid van een zomerwijde stroomt extra zintuigen vrijmaakt.

In 1920 bewees de jonge boswachter Schauwberger dat een houten helling, die wordt natgehouden met koud water, veel beter hout naar beneden laat glijden dan water dat warmer is. Een deel van dit transportsucces was in niet mindere mate te danken aan een andere ontdekking van Schauberger. Tijdens een maanverlichte nacht in het bos had hij een bijna mystieke ervaring ondergaan. Hij stond bij een diep gedeelte van een bergstroom en zag, door het glasheldere water heen, tot zijn verbazing dat de stenen op de bodem zich bewogen. Later vertelde hij: ‘Ik vertrouwde mijn ogen niet meer toen plotseling een brok steen ter grootte van een hoofd zich in een cirkelvormige baan begon te verplaatsen. De steen was eivormig en even later kwam hij aan de oppervlakte waar hij leek te blijven drijven, goed zichtbaar in het licht van de volle maan. Hij werd gevolgd door een tweede en een derde steen, tot bijna alle stenen van die vorm zich aan de oppervlakte bevonden terwijl andere, meer hoekige stenen beneden bleven en niet in beweging kwamen. En het was geen inbeelding. Zijn ‘dansende stenen’ zijn het bewijs van een verschijnsel dat tegenwoordig ‘cirkelvormige of hyperbolische afbuigende beweging’ wordt genoemd, en dat een verbluffend effect heeft op vloeistoffen.

Het laat zich eenvoudig demonstreren. Vul een groot bekerglas met water en laat er een ei in zakken. Maar als het water op de juiste manier wordt omgeroerd, en dat hoeft niet meer dan een zwakke beweging te zijn, komt het ei naar de oppervlakte en blijft daar tot de beweging ophoudt. Het soortelijk gewicht van het ei is nauwelijks groter dan dat van water, en de beweging heeft een effect dat equivalent is met ‘concentratie’ van het water zodat, in elk geval in delen ervan, de dichtheid zo groot wordt dat het, het ei kan dragen. Er is natuurlijk meer beroering nodig om een steen naar de oppervlakte te krijgen, maar in de waterkolk van de juiste vorm, tijdens een koude nacht, met snelstromend water dat al vlakbij zijn grootste dichtheid op 4°C is, is het mogelijk.

De boswachter Schauwberger kwam op het idee dit nachtelijk inzicht toe te passen op het probleem van het verplaatsen van de zware stammen uit de bossen van de Oostenrijkse prins Adolf van Schaumberg-Lippe. Tegen de conventionele opvatting in, dat de kortste en snelste route om via houten goten de gekapte boomstammen naar beneden te laten glijden de rechte lijn was, experimenteerde hij met lange meanderende hellingen die maar weinig water verbruikten - en dat hij op bepaalde plaatsen liet wegvloeien om te vervangen door fris koud water uit de bron - en een grote hoeveelheid kracht opleverden door de kronkelende wervelingen na te bootsen van het water dat hij in de bergstroom had gezien. Dit tot grote minachting van de experts die er schaamteloos hun neus voor ophaalden. ‘Water in natuurlijke toestand laat ons zien hoe het wil stromen’, zei hij. We moeten ons in haar wensen schikken.

Natuurlijk water bevat grofweg één deel van het waterstofisotoop deuterium per 5.000 delen, maar wanneer die verhouding toeneemt, krijgen we 'zwaar water', dat als moderator gebruikt kan worden en dat nucleaire kettingreacties in kernreactoren kan vertragen. En er is polywater, een nieuwe afwijking die het gevolg is van onzuiverheden, waardoor de dichtheid en de viscositeit van het water worden gewijzigd en het zelfs als een spookrijder bergopwaarts stroomt.

Wie wel eens natuurlijk water zo uit de bron heeft geproefd, wéét wat het verschil in kwaliteit is ten opzichte van het stadswater dat keer op keer wordt gebruikt, dat van mond naar laboratorium gaat en van laboratorium naar mond, zonder dat het ooit nog met de aarde in contact komt. Schauberger geloofde ook dat waterleidingbuizen moesten gemaakt worden van natuurlijke materialen, en dat hun vorm moest afgestemd worden op de juiste manier van stromen. ‘Water dat stroomt op zo’n manier dat het een soort dubbele draaiing krijgt sprankelt van energie en kan ziekteverwekkende bacteriën onschadelijk maken’, beweerde hij. Weer zo’n warrig idee - ware het niet dat intussen van steeds meer natuurlijke processen is aangetoond, uiteenlopend van de vorm van een DNA-molecule tot het groeiverloop van spieren en botten, dat ze in wezen een spiraalvorm hebben.

“Zie ook de vorm van sterrenstelsels en de beweging van de hemellichamen in ons zonnestelsel. Eigen cursivering.”.

In de afgelopen tien jaar zijn door de Amerikaan John Wilkes verschillende ‘stroomvormen’ ontwikkeld en op de markt gebracht, die het water in een pulserende beweging in een achtvormige slingering naar beneden voeren, waardoor het een beter effect lijkt te hebben op zowel planten als dieren. In Beieren hebben sommige boeren in de hooggelegen bossen van Mühlviertel een betere opbrengst aan aardappels en haver dan hun buren. De succesvollere boeren beoefenen allemaal een oude rite die 'Tonsingen' wordt genoemd, toonzingen. In de groeitijd roeren ze dagelijks tegen het vallen van de avond, met een houten lepel wat klei in een emmer water tot alles goed gemengd is. En terwijl ze roeren reciteren of zingen ze recht in de emmer, waarbij ze hun stemmen langs een wijd bereik aan toonhoogten laten glijden – in een stijgende sequens wanneer ze tegen de klok in roeren, en dalend wanneer ze met de klok mee roeren. De volgende ochtend vroeg neemt de boer het waterige mengsel en sprenkelt het met een palmblad over het gewas, net als een priester tijdens de misdienst over zijn gelovigen. Bijgelovige onzin? Misschien. Maar deze kleizangers hebben een opbrengst die dertig procent hoger ligt dan die van hun minder muzikale vrienden, die nochtans dezelfde kwaliteit van zaden gebruiken en dezelfde kwaliteit van voedingsboden hebben.

Een vergelijkbaar effect deed zich voor bij een reeks proeven door de psychiatrische afdeling van de McGill University in Montreal. In elk van de vierentwintig potten aarde werden vierentwintig gerstekorrels gestopt, die vervolgens opzettelijk werden beschadigd door ze eerst te drenken in een zoutoplossing en vervolgens de aarde in een oven te drogen. Twaalf potten, die willekeurig en met een dubbelblindproef waren gekozen, werden behandeld met gewoon kraanwater. De andere helft kreeg hetzelfde kraanwater, maar pas nadat een Hongaars medium, dat beweerde over genezende krachten te beschikken, het vijftien minuten lang in een verzegelde fles in zijn handen had gehouden.

Het was overduidelijk dat hij iets met het water deed, want de door hem geholpen gerst had een hoger ontkiemingpercentages, groeide hoger op en woog meer dan de andere gerst, waarbij de statistische kans dat deze verschillen op rekening van het toeval moesten worden geschreven één op duizend was.

We zijn op de hoogte van de moleculaire integriteit van water, en beginnen te begrijpen hoe het hieraan een trekvastheid ontleent die even groot is als van veel metalen. Een heel dunne draad van het zuiverst mogelijke water is sterk genoeg om zich over een afstand van drie kilometer door de lucht te verplaatsen, waarbij het een ononderbroken kolom vormt met een lengte die gelijk is aan de gemiddelde diepte van de oceaan. En in combinatie met deze sterkte is er een al even verbluffende gevoeligheid.

In de meeste natuurlijke systemen, zoals die in de omgeving van een winters meer of ven, komt water gewoonlijk in de drie aggregatietoestanden tegelijk voor - vast, vloeibaar en gasvormig. Het houdt met alles rekening, het gaat van de ene in de andere over met het fluctueren van de energie en reageert op zelfs de geringste veranderingen in de omgeving. Misschien ook registreert het ze, en slaat de patronen op voor toekomstig gebruik, zoals het zich herinnert hoe het ijs moet zijn en al stromend de geheime formule voor zich uitmurmelt.

Het kan nog wel enige tijd duren voordat we in staat zijn de code waarin die informatie wordt bewaard, bewust op te lossen. Maar we zijn zelf zo vloeibaar dat we waarschijnlijk de kern van de boodschap al oppakken, in elk geval onbewust. Het is iets om stil bij te staan.

Watermoleculen zijn opslagplaatsen van een buitengewone energie. Een liter water is genoeg om een normale gloeilamp van zestig watt ongeveer honderd uur te laten branden. Het is het cumulatieve effect van miljoenen van dergelijke geladen liters in beweging die aan een gewone zomerse onweersbui de energie van dertien atoombommen geeft, en die van orkanen thermische motoren maakt die zichzelf draaiende houden  en waarvan de hoeveelheid energie te vergelijken is met een half miljoen bommen van het type dat Hiroshima en Nagasaki vernietigde. 

Dergelijke mammoetuitwisselingen van hitte en energie vinden voortdurend plaats, ze voeden de atmosfeer, doen de wind opsteken en verspreiden warmte en bewustzijn over de aardbol. Er is op de aarde meer dan een miljoen maal een miljoen maal een miljoen ton; ongeveer driekwart van onze planeet is ermee bedekt en wordt erdoor veranderd in een zachtblauwe saffier. Maar dergelijke enorme getallen verdoezelen de werkelijkheid. Als we de aarde zouden terugbrengen tot de afmetingen van een globe met een diameter van dertig centimeter, zoals die op school wordt gebruikt, zou de gemiddelde diepte van de zee zelfs geringer zijn dan de dikte van het papier van deze bladzijde. De diepste geul zou een nauwelijks waarneembare groef zijn van minder dan éénderde millimeter, en het oppervlak zou alleen maar vochtig aanvoelen. En toch het is die dunne laag, dit kwetsbare membraan met zijn paradoxale eigenschappen, die ons leven in stand houdt.

Dat is het wonder van water. Het wordt tijd dat we het wat beter leren kennen. We moeten leren kijken naar, zoals John Keats het zegt:

                                                 “Het zich voortreppende water met zijn priesterlijke taak.

                                   De mensenkusten van de Aarde rondom schoon te wassen en te zuiveren”.



Gepost door eagle op donderdag 19 januari 2012 0 reactie(s)
Adverteren
Zoek&Vind
Spiritualia
Contact
Copyright © 2008-2012 Spiritualia. Alle rechten voorbehouden. | Privacy Statement | Gedragscode | Algemene Voorwaarden